'Spontaan' wandelen door een echt bos is er voor de randstedeling met kleine kinderen vaak niet bij. Voordat de stationcar, volgepakt met kinderfietsen en kinderwagens, de eerste mooie bossen in het midden van het land bereikt, hebben de kids het uitstapje alweer gehad en willen liever terug naar het grootstedelijke park met de kinderboerderij, liefst in de buurt van McDonald's.
Het Staelduinse Bos, midden in het Westland op een half uur rijden van Den Haag en Rotterdam, is een prima alternatief.
Het is een bos dat de (kinder)fantasie prikkelt: ruige natuur, tientallen oude bunkers met onder meer een vleermuizenexpositie, kronkelpaden over de duinen, en een educatief centrum in een verbouwde koestal waar bezoekers onder meer de geluiden van vogels kunnen leren herkennen. Het bos is bovendien overzichtelijk: een wandeling van een kleine twee uur geeft al het voldaan gevoel van een grote tocht want dan heb je alle uiteinden een keer gepasseerd.
Het bos kent een roerige geschiedenis. De naam Staelduinen komt van de vissers die in de 14de eeuw op de zandruggen - die dwars door het huidige bos heen lopen - hebben gewoond. Zij visten in de omringende rivierbedding op zalm met behulp van fuiken en netten, die bevestigd waren aan staken (of stalen) die in de rivierbodem waren geslagen. Om wat hoop te brengen in hun armoedig bestaan, schonk Willem van Naaldwijk een kapel aan de staelvissers. In de 19de eeuw verloor het gebied zijn duinkarakter doordat de familie Van Rijckevorssel het zuidelijk deel van het Staelduin ontginde en het noordelijk deel inplantte met houtsoorten, bedoeld voor houtproductie. Voor de jacht, door de familie zelf, leden van het Oranjehuis en buitenlandse ambassadeurs, werden er fazanten uitgezet.
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werden er in opdracht van de Duitsers - als onderdeel van de Atlantikwall - bunkers geplaatst in het oostelijk deel van het bos. Na de oorlog nam het ministerie van defensie de bunkers in gebruik als munitie-opslag en werd dit gedeelte van het bos afgesloten. In de jaren zestig kocht de Rotterdamse golfclub het westelijk gedeelte om er een golfbaan te bouwen. Een actiegroep van natuurliefhebbers wist dit te voorkomen. Zij verenigden zich tot 'Vrienden van het Staelduinse Bos', en verbouwden een oude koestal tot bezoekerscentrum. Het lukte om in samenwerking met het Zuid-Hollands Landschap in 1987 ook het oostelijk gedeelte voor een miljoen gulden te kopen en open te stellen voor publiek.
Twee wandelroutes van elk drie kilometer zijn met behulp van gele en rode paaltjes gemarkeerd, de grootoor-vleermuisroute (rood) en de hooibeestjesroute (geel). Van de parkeerplaats bij de Antoniushoeve loopt het pad het bos in. Al snel, bij het bezoekerscentrum, beginnen de paaltjes. Het is een wandelbos, maar niemand houdt de kinderen tegen die lopen te lang en te saai vinden en per se op hun fietsjes het bos willen verkennen.
Na een schriftelijk lesje in de kast van het bezoekerscentrum over voor ons stedelingen onbekende grootheden als stinkende gouwe, robertkruid en bijvoet zoeken we wat beschaamd naar de rode paaltjes, in het bewustzijn dat in dit overzichtelijk bos toch zelfs wij niet zoek kunnen raken. Maar ja, je weet maar nooit.
De grootoor-vleermuisroute loopt eerst een stukje langs het bos, met links een hele rij bramenstruiken en rechts prachtige vergezichten op de dijk. Terwijl op de voorgrond schapen grazen, zijn in de verte nog net de schoorstenen van de grote stad te zien. Na een paar honderd meter gaat de weg scherp naar links het bos in, over een duinrug heen. Tussen de bomen zit veel struikgewas met rode bessen, de kardinaalsmuts, reservevoedsel voor de volgens de vrijwilligers vijftig soorten vogels die in het bos hun broedplaats hebben.
Na een kilometer door een ruig bosgebied duiken de eerste betonnen bunkers op, sommige prachtig bedekt met korstmossen. Soms zijn het alleen overgroeide heuveltjes vol zwarte gaten met een hekwerk ervoor. De kinderen vinden het prachtig en het geheel biedt genoeg aanleiding om al wandelend een lesje geschiedenis over de Tweede Wereldoorlog te verzorgen. Het feit dat er maar één bunker open is voor bezichtiging in het kader van een kleine expositie over vleermuizen maakt het geheel nog spannender. Want wat zou er allemaal in de andere zitten?
Een bordje leert dat in de meeste bunkers op dit winters moment vleermuizen slapen. Het stimuleert het viertal kleuters in elk geval om de rest van de weg op kousenvoeten af te leggen en hun discussies over welk van hun opa's het heldhaftigst de Nederlanders heeft gered uit de klauwen van de Duitsers, zachtjes te voeren.
De weg tussen de bunkers is breed en recht, met af en toe mooie doorkijkjes op boerderijen en windmolens. Na een kleine twee uur zijn we weer terug bij de parkeerplaats. Het eerste gezeur over 'hoe ver is het nou nog?' begint gelukkig pas in zicht van de auto. Ook voor de baby in de kinderwagen was het precies de goede afstand. Hij heeft NU!! honger na zoveel gezonde buitenlucht in de randstad.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.