VUGHT - Bewolking, ijzel en een snijdende wind op het Vughtse natuurijs hielden de meeste schaatsers zaterdag binnen. Maar de echte liefhebbers lieten zich niet tegenhouden. Voor zondag was dooi aangekondigd en dus zou dit weleens de laatste dag kunnen zijn voor een tochtje op de IJzeren Man.
De heren De Wijs en Beer uit Vught staan wat uit te puffen bij een aanlegsteiger. Ze hebben er net tien rondjes, ongeveer 35 kilometer, op zitten. Het is tijd om weer naar huis te gaan. Een officiële tocht van de Vughtse ijsclub hebben ze niet gereden. “Ik heb genoeg medailles”, vindt De Wijs. Beer heeft zelfs twee- eneenhalve Elfstedentocht gereden. “Ja, de eerste was in '63. Ik was toen 19 en was halverwege al helemaal kapot”, verklaart hij, terwijl hij zijn schaatsbeschermers vastmaakt.
In clubhuis 'De bindplaats' van de Vughtse ijsclub roept iedereen door elkaar, wanneer het woord Elfstedentocht valt: 'Folklore' en 'met niks anders te vergelijken'. “Ja, dat is toch je van het”, vindt Mien Spierings. Ze verkoopt snert, warme chocolademelk en gevulde koeken voor de clubleden “maar iedereen is hier welkom hoor.”
Twee mannen en een jongetje uit Tiel komen moe maar voldaan binnenlopen. Ze hebben er net een tocht van vijftien kilometer op zitten. Trots neemt het jongetje zijn medaille in ontvangst.
“Schaatsers uit heel Nederland komen hier een tocht maken”, vertelt de clubhuisbeheerster trots. “Ook uit het noorden, terwijl daar schaatsgelegenheden genoeg zijn. Ze komen denk ik voor de omgeving, de entourage.”
De IJzeren Man ligt in het natuurgebied de Vughtse hei en dankt zijn naam aan de grote graafmachine die het meer heeft gegraven. Dat er 's zomers ook volop wordt gezwommen, is door de ijzige wind nu moeilijk voor te stellen.
Een groepje speelt nu op glimmende ijshockeyschaatsen met puck en stick. “Het is hier gewoon keigezellig”, roept een tiener met knalrode muts. “Sinds er ijs ligt, ben ik hier”, vertelt de veertienjarige Merijn Smeulers. Hij trekt zijn veters strak, strikt ze en sprint het ijs weer op. Een aantal mooie meiden, compleet opgedoft, glijdt op lichtblauwe schaatsen wat heen en weer over het ijs.
Vader en moeder Brabers uit Waalwijk behoren tot de weinigen die geen schaatsen aan hebben. “De kinderen komen eerst”, zegt moeder, duidend op de spiksplinternieuwe schaatsen met knalgroene veters van haar zoontje. Even later komt ze hangend tussen twee kennissen, wiebelend op geleende ijzers voorbij.
Even verderop, op het terras van het Strandpaviljoen, staan ijzeren manden waarin vuren branden. Jongelui hebben zich er omheen geschaard en warmen hun handen. De wind wordt straffer en het begint te ijzelen.
Het oranje zeil van de stempeltent wappert heen en weer. Mannen met strakke broeken en grote bivakmutsen houden hun slag in. Omdat ze niet kunnen remmen, rijden ze met hun handen vooruit naar het tentje toe. Met een doffe bonk komen ze tegen de houten wand tot stilstand en vissen de stempelkaart uit hun binnenzak.
In de verte klinkt de sirene van een ambulance. Het geluid komt langzaam dichterbij. Midden op het meer, een paar honderd meter van de kant, dromt een groepje mensen samen. Een ijsclub-medewerker rent zonder jas aan het ijs op. Er wordt driftig gezocht naar de brancard. “We hebben hier elke dag een EHBO'er zitten, maar net vandaag niet”, zegt een medewerkster bezorgd. De man in het T-shirtje komt terug. “Been gebroken”, concludeert hij. “Ik zag het meteen: d'r bovenbeen lag recht, maar haar onderbeen stond er haast dwars op. Ze begint nu al te onderkoelen.”
Het duurt even voordat de ambulance-broeders het ijs op komen met hun brancard. “Ze ligt al zeker een half uur op het ijs”, moppert de ijsclub-medewerkster. Ingepakt in een lichtblauwe deken ligt het ijspret-slachtoffer op de brancard. Ze kreunt zachtjes wanneer de witgejaste broeders haar de kant op tillen. Voorzichtig rijdt de ambulance de weg op.
En in één klap was het gisteren uit met de pret.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.