*

 
dossier

Archief

Drees

Den Haag B. van den Braak, wetenschappelijk medewerker PDC Universiteit Leiden − 28/08/99, 00:00

Bij de aflevering van de reeks Tijdsgewricht over Willem Drees (Trouw, Podium, 24 augustus) enkele kanttekeningen. Ten onrechte wordt vermeld dat Drees wethouder van Den Haag was tot 1941. Dit moet zijn tot 1933, het jaar dat hij Tweede-Kamerlid werd (hij bleef wel gemeenteraadslid). In 1939 volgde hij Albarda op als fractievoorzitter van de SDAP in de Tweede Kamer.

De stelling dat voor de oorlog nog vrijwel niemand van Drees had gehoord, lijkt mij dan ook wat te stellig. Hij was zeker nog geen 'nationaal figuur', maar behoorde al tot de meer vooraanstaande politici. Zo was Drees al in 1937 tweede ondervoorzitter van de Tweede Kamer geworden, maakte hij in 1939 met onder meer Schouten en Tilanus deel uit van de kamercommissie die de zogenaamde zaak-Oss onderzocht (waarbij minister Goseling in opspraak was gekomen). Verder lijkt het koppelen van Drees' moed aan zijn verblijf in interneringskampen mij niet juist. Drees maakte in oktober 1940 deel uit van een groep van ruim honderd vooraanstaande Nederlanders die door de Duitsers werden gegijzeld als represaille voor het in mei 1940 gijzelen van in Nederland woonachtige Duitsers. In mei 1942 was hij nog een week gijzelaar in Sint-Michielsgestel. Een - erger voorgestelde - maagkwaal zorgde voor zijn vrijlating. In beide gevallen was er echter geen verband met verzetswerk. Dit doet overigens niets af aan zijn betekenis voor het verzet. Mij lijkt dat de analyse die Drees zelf gaf van zijn opkomst, dichterbij de waarheid zit dan de auteur van het stukje, Willem Breedveld, vermoedt. In 1945 immers waren 'grote' vooroorlogse figuren als Colijn, Goseling, De Geer en Albarda overleden of van het toneel verdwenen. Jonge katholieken als Romme en De Quay waren niet geheel onomstreden en Tilanus en Schouten waren - zeker in de ogen van koningin Wilhelmina - te veel verbonden aan het 'oude' bestel. Drees was, toen hij in juni 1945 met Schermerhorn het eerste na-oorlogse kabinet formeerde, weliswaar eveneens exponent van dat 'oude' bestel, maar, zo heette het: hij was al vernieuwd. Dat alle andere genoemde eigenschappen bijdroegen aan het bestendigen van zijn vooraanstaande rol, is onmiskenbaar waar.

mailIcon print |