Van een onzer verslaggevers KIMSWERD - Het is zes uur zaterdagochtend, steenkoud en pikkedonker. De straten van het dorpje Kimswerd zijn, zoals altijd op dit uur van het vrije weekeinde, uitgestorven. Toch moet iedereen wakker zijn: achter elk venster brandt licht en is het fletse blauw van de televisie te herkennen.
Café 'Greate Pier' blijkt al open. Met de rug naar de tap staren negen mannen op rij naar de eerste mooie beelden van de Elfstedentocht. “Ik hoop dat Kleine wint”, zegt de man uit Hilversum. “Die haalt het nooit”, weet zijn maat. “Het is Hulzebosch of Angenent.” De uitbater heeft nochtans andere zorgen. De barkrukken moeten nog naar de bovenverdieping worden versleept. Want straks, weet hij uit ervaring, is zijn kroeg vele malen te klein.
Kimswerd is geen Harlingen, Franeker, Bartlehiem, waar op wegen en bruggen tienduizenden toeschouwers samendrommen om een glimp van de schaatshelden op te vangen. Kimswerd is de kleine dreumes, het zwarte schaap van de schaatsfamilie. “Dat komt door de media die ons dorp links laten liggen”, foetert uren later een middenstander, op een moment dat iedereen wakker is. Hij heeft wellicht gelijk, maar misschien is het wel beter zo. Drie-, hooguit vierhonderd toeschouwers, alsof dat geen charme heeft. Alsof het daarom niet gezellig kan zijn.
Ruim een uur voordat de eerste wedstrijdrijders al van ver boven de rietkragen zichtbaar raken, hebben tientallen hun plaats op de brug ingenomen. “Wij gaan altijd naar deze plek”, zegt de Hilversummer uit café 'Greate Pier'. “Niet zo massaal, knus en veel sfeer. Lekker dorps, veel leuker dan Leeuwarden of die andere steden.” Zo denkt de familie Morsink uit Enkhuizen ook. Harry: “Patatkraam bij het ijs, het café op nog geen veertig meter afstand, gratis op de brug uitgedeelde borreltjes, vlaggen, mutsen en handschoenen van de kruidenbitter-leverancier, wat willen we meer? We komen de dag wel door.” Even later deelt zijn schoonmoeder warme, zelf meegebrachte chocolademelk en taai-taai uit aan familie én wildvreemden. “Het gaat ons om de lol, net als 's zomers bij de Tour de France.”
Als de sterksten onder de sterken even na negen uur in een vloek en een zucht Kimswerd passeren, is daar de even korte als uitbundige ontlading. Applaus, spreekkoren, gejuich. “Maar eigenlijk verdienen de plezierrijders dat het meest”, zegt een Fries. “Plezierrijders, wat een woord. Die lui vriezen half dood en dat voor de eer.”
Wanneer tegen twaalven meer en meer tourrijders hun rug krommen voor de doorgang onder de brug, weet de ronde borst het, met nog 110 kilometer te gaan, helemaal zeker. “Ze hebben het slecht hoor, je ziet toch hoe versnipperd het veld is. Als het lekker gaat, zou je ze hier met honderden tegelijk moeten zien passeren. Nu is het een groepje van tien, dan weer van vijf en soms een eenling. Foute boel, moet je die afgeknepen koppen zien.”
Ver nadat Henk Angenent de vijftiende Tocht op zijn naam heeft geschreven, wordt het drukker in Kimswerd. Dat komt doordat met de duisternis in ogen, steeds meer schaatsers zich moeizaam tot onmogelijk over het ijs bewegen. De zere poten, de vermoeidheid en de kou zijn van hun gezichten af te lezen. “Doorgaan”, roepen in jassen, truien en mutsen weggedoken toeschouwers, gevolgd door het massale gezang van 'We gaan nog niet naar huis, nog lange niet...' De schaatsers zijn blij met de aandacht en zwaaien met een laatste krachtsinspanning richting publiek.
Een meter of vijftig verderop, waar EHBO'ers handen, tijd en mobiele telefoons tekort komen, haken ze bij bosjes af. 'Hoe ver nog' en 'Hoe laat is het' zijn de meest gehoorde vragen. De antwoorden stemmen droef. “Red ik het podverdorrie weer niet”, reageert een rijder. “Blijven trainen”, adviseert een verdwaalde toeschouwer.
De rijder: “Hoe heet dit dorp eigenlijk?” Kimswerd. “Ben ik dan nú pas in Kimswerd?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.