*

 
dossier

Archief

Högsbo maakt van een wrak een krachtpatser

ADRI VERMAAT − 03/02/96, 00:00

Vele methoden zijn aangewend om drugsverslaving te lijf te gaan, maar nog altijd is er geen consensus over de juiste aanpak. Het ene land beschouwt de gebruiker als een crimineel, het andere als een patient. Door de week en in de bijlage ZENZ besteedt Trouw aandacht aan 'afkicken': hoe wordt in landen als Singapore, Amerika, Zweden, Frankrijk en Nederland omgegaan met een van de grootste problemen van deze tijd, de drugsverslaving. Vorige afleveringen stonden in Trouw van 9, 13, 16 en 21 december en 6, 9, 12, 17, 27 en 30 januari.

De keuken is favoriet, maar vlak het schildersatelier niet uit. De houtzagerij, met de afmetingen van een echte fabriek, vinden de meesten daarentegen saai, stoffig, onpersoonlijk. Dan nog liever nemen ze plaats in het leslokaal waar ze met behulp van computers hun talenkennis kunnen verbreden.

Klas, net als de 49 mede-gedetineerden van de 'stadsbajes' Högsbo in Gothenburg een ex-junk, is vooral verzot op het krachthonk. Daar werkt hij met gewichten, hangt hij aan de rekken en fietst hij uren op de wat versleten home-trainer. “Ik ben zo sterk als een beer”, pocht hij. “Moet je m'n spierballen eens zien. Daar word je bang van hè? Sylvester Stallone is er absoluut niks bij.” Met een kwinkslag: “En dan gebruik ik niet eens anabolen.”

De ongewapende, in vrijetijdskleding gestoken bewaarder - hij is meer begeleider - kijkt gebiologeerd toe als Klas de pedalen nog sneller laat gaan. “Die jongen heeft in de elf maanden dat hij in Högsbo zit een metamorfose ondergaan”, zegt de man bewonderend. “Als een zielig hoopje mens kwam hij Högsbo binnen, maar over een maand gaat hij er als een gezonde vent uit. Destijds een wrak door zijn drugsgebruik, nu een krachtpatser. Die redt het hoor, de sport is zijn uitlaatklep. Volleybal, tafeltennis, voetbal, fietsen, met gewichten sjouwen, hij doet alles. Straks gaat hij lekker naar een opvangtehuis en als hij ook daar het beste ervan maakt, komt het dik in orde met hem. Zeker weten.”

Een stadsbajes als tussenstation in de drugshulpverlening, de Zweedse autoriteiten zijn er onmiskenbaar trots op. Maar kritiek is er ook. Feministen bijvoorbeeld beweren dat de Högsbo-directie discrimineert. Vijftig cellen, waarvan er slechts vijf zijn gereserveerd voor criminele vrouwelijke junks, dat is je reinste 'ongelijke behandeling', menen de vrouwen. Alsof de op het misdaadpad belande vrouwen, anders dan hun mannelijke lotgenoten, geen behoefte zouden hebben aan een grote privé-schoonmaak. Maar directeur Jan-Eric Josefsson van Högsbo pareert de kritiek. “Vrouwen zijn niet zo slecht als mannen. Het bewijs is er, want momenteel hebben we niet één vrouw in huis. Met mannen ligt dat anders, tientallen staan zelfs nog op de wachtlijst.”

De zes jaar geleden in gebruik genomen Högsbo-gevangenis is niet het resultaat van langdurige studies of tot in detail uitgekristalliseerde discussies. Evenmin is zij de uitvinding van een criminoloog, verslavingsexpert of reclasseringsambtenaar. Het Zweedse parlement heeft de huidige opzet van de gevangenis zelfs nooit zo bedoeld. De drugsvrije situatie daar berust vooral op toeval. Is het gevolg van een nooit opgehelderd, maar door alle partijen dankbaar aanvaard misverstand.

Josefsson: “Volgens de oorspronkelijke plannen zouden vijftien van de vijftig cellen drugsvrij moeten zijn. Wij vonden die opdracht van justitie redelijk, ook al omdat drugsgebruik in de Zweedse gevangenissen, net als elders in Europa, helaas veelvuldig voorkomt. Maar tot onze verbazing kregen we kort voor de opening een brief van de regering waarin stond dat àlle vijftig cellen drugsvrij moesten zijn. Ik denk dat in die brief een fout is gemaakt. Dat per ongeluk 'vijftig' is geschreven, waar dat 'vijftien' moest zijn. Maar wij hebben de inhoud ter harte genomen en ons beleid aangepast.”

Het misverstand kwam niet alleen Josefsson goed uit. Ook de bestuurders van Gothenburg, de politie en hulpverleners reageerden opgetogen. Een gevangenis zonder drugs vormde in in hun ogen een nieuwe belangrijke sprong voorwaarts in het streven naar stringent beleid voor de ongeveer tweeduizend voornamelijk criminele junks van Gothenburg. Kristina Jung, beleidsmedewerkster verslaafdenzorg van de gemeente, die een coördinerende rol vervult: “De drugsproblemen in onze stad, in heel Zweden, dateren van de jaren '60. Het was het 'Flower Power'-tijdperk, de periode dat alles kon, alles mocht. Wie amfetaminen of cannabis wilde gebruiken, deed dat. Er ontstond een enorme groei van het aantal verslaafden en dit niet alleen onder de hippies. De drugs verspreidden zich over het land als een epidemie.”

Jung vertelt over het experiment met de vrije verstrekking van drugs aan een groep van 165 verslaafden, van april '65 tot voorjaar '67 in Stockholm. Die proef, destijds bedoeld om aan te tonen dat vrij drugsgebruik kòn, zou naderhand cruciaal worden voor het beleid. “Het experiment was één grote mislukking”, zegt Jung. “Voor de proefpersonen werd in totaal één miljoen keer een dosis heroïne of morfine uitgeschreven. Nog eens anderhalf miljoen recepten hadden betrekking op amfetaminen. De kleine drugscriminaliteit nam tijdens de proef af, maar de junks waren zo losgeslagen dat ze zich veel vaker te buiten gingen aan fysiek geweld. 'High' als ze waren, kropen ze achter het stuur van auto's en veroorzaakten verkeersongelukken. Een deel van de drugs die ze kregen verhandelden ze als broodjes. De slotsom was dat drugs werden verspreid, dat de criminaliteit per saldo toenam en dat de junks er niet beter van werden. Dat was het begin van de ommekeer: Zweden ontwaakte uit de roes.”

Stockholm, Gothenburg, Malmö, elke stad kreeg wel één of meer opvangtehuizen. Plekken waar junks openlijk hun drugs konden gebruiken, werden verboden. Experimenteren was er, op een enkel methadonprogramma na, nooit meer bij. De afkickklinieken konden het aanbod nauwelijks verwerken en werden uitgebreid. De Zweden haalden opgelucht adem toen eind jaren '80 uit onderzoeken bleek dat drugsgebruik onder jongeren sterk aan populariteit had ingeboet en dat alleen de oudere verslaafden, die van boven de dertig, nog het werkelijke probleem vormden. Totdat rond 1990 de economie een klap kreeg en het aantal jeugdige werklozen toenam. De drugs raakten prompt weer 'in'.

Gemeente, politie en Justitie in Gothenburg besloten tot creatieve maatregelen. Eén ervan was het opleiden van politiemensen tot sociaal werker. Volgens directeur Jan-Eric Josefsson van stadsbajes Högsbo een 'gouden greep'. “Zodra een junk is opgepakt wegens straatroof, diefstal of drugsbezit, bereidt een van deze sociaal werkers hem voor op wat vermoedelijk de belangrijkste keuze van zijn leven is. Wil deze junk als gewone crimineel worden behandeld of wil hij, na jaren van jatten en zwerven, van de drugs af? Wie kiest voor een leven lang drugs en zich schuldig blijft maken aan criminaliteit, kan rekenen op steeds hardere, strafrechtelijke sancties en gaat naar een niet-drugsvrije gevangenis. De anderen kunnen terecht in Högsbo en mogen bij goed gedrag een deel van hun straf in een opvangtehuis doorbrengen. Het één sluit perfect aan op het ander. We hebben prachtige tehuizen, waarvan Alfagarden in het dorp Alingsas de kroon spant. Temidden van de meren en wouden worden de jongens daar prima opgevangen en begeleid.”

Toch erkent Josefsson dat Högsbo heel wat kinderziekten moest overwinnen, alvorens de gevangenis model zou staan voor het moderne Zweedse drugsbeleid. De eerste twee jaren verliepen zelfs rampzalig. Regelmatig troffen bewaarders drugs aan in de cellen, de keuken, het sportlokaal, het atelier, overal. Ontsnappingen waren bovendien aan de orde van de dag. “De gedetineerden namen een loopje met ons”, zegt Josefsson. “We hadden de zaak niet in de hand en kregen in die tijd veel kritiek. Hoe konden we immers aan 'goedwillende' gedetineerden onze belofte nakomen dat zij in Högsbo niet met drugs zouden worden geconfronteerd? Terwijl je dat spul zo ongeveer in alle hoeken en gaten tegenkwam.”

Josefsson en zijn staf bedachten nieuwe maatregelen. “In een aanscherping van het beleid zagen we niets. In andere gevangenissen bleek dat niet te werken. Daar was vanwege het toegenomen drugsprobleem de controle op de gedetineerden en vooral de bezoekers fors uitgebreid, zonder dat het ook maar een fractie hielp. Tot we in 1993 de oplossing vonden. We lieten alle gedetineerden een contract ondertekenen met de tekst: 'Ik blijf drugsvrij en neem daarvoor alle verantwoordelijkheid'. Dat contract maakt het mogelijk om overtreders, mensen die in Högsbo drugs gebruiken of in bezit hebben, te straffen en over te plaatsen naar een van de 'gewone' gevangenissen. Zo is Högsbo tenslotte volledig drugsvrij geworden.”

Niet alleen de gevangenisdirectie, ook de gevangenen zelf droegen daaraan hun steentje bij. Met het invoeren van de contracten bedongen juist zij dat dan in het vervolg ook hun urine moest worden onderzocht op eventuele drugssporen. Josefsson vond het voorstel zo onsympathiek, stigmatiserend ook, dat hij het aanvankelijk afwees. Op aandrang van de gemotiveerde gevangenen ging hij echter alsnog overstag. Om de andere dag worden de mannen nu in het eigen laboratorium van Högsbo aan een urinetest onderworpen. In de praktijk betekent dit dat jaarlijks rond de vijfduizend van deze tests worden gehouden.

Josefsson: “Dat de gedetineerden mij van de noodzaak van die urine-onderzoeken overtuigden, gaf nog iets anders aan. Niemand van hen wil drugs en dat maakt de kans dat zij aan bezoekers vragen dat spul naar binnen te smokkelen heel erg klein. Dat smokkel toch soms voorkomt, is waar. Dat kan ook niet anders als je weet dat iedereen die hier binnenkomt een zware gebruiker is. Vooral in de eerste weken van hun verblijf in Högsbo hebben ze het moeilijk en is de drang naar drugs soms groter dan de wil ervan af te blijven. Maar de junk die betrapt wordt op drugs, moet mij er maar van zien te overtuigen dat hij in Högsbo wil blijven. Slaagt hij daar niet in, ontbreekt die overtuiging domweg, dan gaat hij naar de 'gewone' gevangenis. Zoals sommigen daar al om vragen nog voor ze hebben geprobeerd drugs in Högsbo binnen te smokkelen.”

Het accent in de stadsbajes ligt vooral op het aanleren van sociale vaardigheden. De gedetineerden, die straffen uitzitten van zes maanden tot twee jaar, vormen groepjes van zes, zeven man die telkens van samenstelling wisselen. Enerzijds kunnen zo makkelijk onderlinge contacten worden gelegd, terwijl anderzijds wordt voorkomen dat een zekere ongewenste hiërarchie ontstaat.

De gevangenen bereiden bij toerbeurt de maaltijden, volgen kooklessen, onderhouden de twee gebouwen en zelfs heeft Josefsson een professionele kunstschilder ingehuurd om belangstellenden vertrouwd te maken met ezel en penseel. “Een van de jongens die hier hebben vertoefd, zit nu op de kunstacademie in Gothenburg. Anderen zijn zover dat zij toestemming hebben om in de stad als schoonmaker of verhuizer te werken en in Högsbo alleen nog hoeven te overnachten. Iedereen profiteert van het beleid, de gevangene, de hulpverlener en de samenleving. Iedere junk, die afkickt en erin slaagt zijn eigen weg te vinden, is er één.”

Trots verhaalt Josefsson van het bezoek dat een delegatie drugsdeskundigen uit Rotterdam onlangs aan Högsbo bracht. “Die mensen waren behoorlijk enthousiast, ze wilden ook wel zo'n gevangenis.” Wanneer hij verneemt dat Rotterdam inderdaad een soortgelijke stadsbajes krijgt, maar daar in elke geval een andere benaming aan geeft, betrekt even zijn gezicht. “Een 'strafrechtelijke opvang van overlastgevende verslaving', gaan ze dat ding zó noemen?”, roept hij uit. “Dat is gek, dat is nou typisch Nederland. Wij Zweden zijn zodra het om drugs en junks gaat, juist heel duidelijk. Dat is anders met Nederlanders, die weten er minder raad mee.”

mailIcon print |