*

 
dossier

Archief

Melk, zo van de koe, met cruesli

Door: redactie − 29/01/97, 00:00

Eten. Iedereen doet het. Maar waar, hoe, wat en met wie? Een kleine serie met min of meer willekeurige antwoorden.

De moderne boer hoeft niet vroeg meer op. “Dat komt goed uit, want ik ben geen ochtendmens. Een uurtje of zeven is vroeg genoeg. Waar ik wel aan vasthou is dat een boer voor het melken nooit eet. Dat komt eigenlijk uit de tijd dat een melkboer om vier uur 's ochtends op moest en dan niet eerst ging zitten ontbijten.”

Tussen de middag wordt op de boerderij warm gegeten. De vier kinderen (de jongste 2, de tweeling 5 en de oudste 8) worden opgehaald van basisschool in de nabijgelegen nieuwbouwwijk. “We hebben zelden soep, want dan lusten de kinderen niks meer.” Iedere dag serveert boerin Helma practisch hetzelfde. “Gekookte aardappelen en rundvlees uit eigen winkel. De groente komt uit de supermarkt. Vaak kool, ook wel eens diepvries. Rode kool met appeltjes, dat kun je zelf niet zo maken.” Verder is het: wat de boer niet kent dat eet-ie niet. Macaroni en nasi, een enkele keer maar niet van harte.

Het is de vraag hoe lang de familie het vol kan houden 's middags met z'n allen te eten. Overblijven is op de school van de kinderen normaal. Bij slecht weer blijven ze, voor een rijksdaalder, over. “Als ze naar de middelbare school gaan kunnen ze niet meer naar huis komen. Dan zullen we 's avonds warm moeten eten.”

Nu staan de pannen vanaf elf uur op het fornuis. Een stevig stuk rundvlees in ruim jus, iedere dag. “Het magerste vlees verkopen we, maar het vet eten we niet op. Mijn vader van 76, die indertijd veel zwaar werk moest doen, vindt dat juist goede kost.”

“Voor de kinderen eten we eigenlijk weinig biefstuk. Ik vind het lekker, maar ze krijgen het moeilijk weg. Varkensvlees eten we niet omdat een dochter het niet mag hebben. Het is ook vaak slap vlees. Ieder jaar gaat er een rund in de vriezer. Dit keer is het er eentje waar veel gehakt aan zit. Eten we een keer of drie per week gehakt, daar is niks tegen.”

Er staan een kleine 30 koeien op stal. Het wordt hun laatste winter op de boerderij. Aad Kleijweg moet met boeren stoppen. Het Abtswoudse Bos, dat een groen hartje moet worden tussen Rotterdam en Delft, komt tot zeven meter van zijn stal. De winkel gaat van de zomer dicht. De kaas maakt hij al niet meer, die komt van een collega uit Oud Alblas.

“Doorgaan met de winkel gaat niet. Als je zelf melk hebt, mag je wel wat van je buurman betrekken, maar niet alles. Dan moet je aan andere eisen voldoen. Ik ben van plan houten speeltoestellen voor kinderen te gaan maken. Tien jaar heb ik dit gedaan; tien generaties hebben hier geboerd.”

De ingrediënten voor de maaltijd uit de winkel, die veel Delftenaren en Schiedammers uit de naburige doorzonwoningen kopen, zal ook de boer missen. Het vlees, de kaas en de aardappelen. “Nu weet je waar alles vandaan komt. Kunnen de kinderen onbeperkt yoghurt met vruchtjes opscheppen. Dat kan dan niet meer. Het zal geen slecht spul zijn, wat je op tafel zet. De controles zijn zo streng. Mijn vader liep nog met een DDT-gifspuit boven de koeien te sproeien. Tegen de vliegen. Had hij er zelf ook geen last meer van. Zulke dingen gebeuren niet meer.”

Het lievelingskostje van Aad Kleijweg is zo'n beetje het enige wat hij kan blijven produceren. “Zuring kun je bijna nergens kopen, maar het zaad wel. Dat is het enige wat ik in de moestuin heb en dat blijft. Die wrang zoete smaak, stroop en rozijnen erbij. En dat alles laten zwemmen in de jus. Dat is net zo heerlijk als warme melk met cruesli.”

mailIcon print |