*

 
dossier

Archief

ER IS GEEN WEG TERUG

MARCEL TEN HOOVEN; MAAIKE VAN HOUTEN − 04/04/98, 00:00

Het Gereformeerd Politiek Verbond is sinds een paar jaar geen exclusief gereformeerd vrijgemaakte politieke partij meer, het Nederlands Dagblad is al wat langer geen krant meer die uitsluitend wordt gemaakt door en is gericht op het vrijgemaakte smaldeel.

Niettemin verbaast het de hoofdredacteur van de krant niet dat hem wordt gevraagd iets te vertellen over de vijftigste verjaardag van de politieke partij: de banden zijn hecht, nog steeds. Daar doet de toenadering tussen GPV en een andere kleine christelijke partij, de RPF, niets aan af.

J. P. de Vries (58) is weliswaar niet geboren in de vrijgemaakte zuil - de vrijgemaakte kerk is pas in 1944 gesticht - hij is er wel in getogen. Zoon van een dominee, student aan de theologische hogeschool van de vrijgemaakte kerken in Kampen, in de jaren zestig onder andere medewerker van het GPV-Kamerlid Jongeling (tevens zijn schoonvader), lid van het hoofdbestuur van het GPV, en thans hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad.

“Behalve in mijn middelbare schooltijd, op het christelijk gymnasium in Groningen, heb ik niet zoveel contacten gehad buiten de gereformeerde wereld”, concludeert De Vries. Zo bezien is de toenadering van zijn partij tot de RPF een hernieuwde kennismaking met andersdenkenden - de RPF herbergt de conservatievere delen van de hervormde kerk, christelijk gereformeerden, Nederlands gerefor- meerden en een deel van de evangelische beweging. “Ik kom vaak bij de RPF en ik word er met plezier ontvangen”, zegt de Vries. “Ik heb er geen enkel buitenstaandersgevoel. De meeste RPF'ers zijn abonnee van onze krant. Ik ben één hunner. Dat scheelt.”

De vrijgemaakten zijn in rap tempo bezig de eigen zuil af te breken. De tijd is voorbij dat het eenheidsstreven van RPF en Evangelische Omroep werd afgedaan als 'onconfessioneel oecumenisme met veel vrijblijvendheid en zuchten' (oud-GPV-Kamerlid Verbrugh in 1978). Vormden de vrijgemaakten begin jaren negentig nog een hecht gesloten bolwerk met een eigen krant, eigen scholen en een eigen partij, sindsdien doorbreken zij zelf het isolement door de eigen organisaties, zoals het GPV, open te stellen voor gelovigen van geestverwante snit als Nederlands gereformeerden en christelijke gereformeerden. De toenadering tot de RPF is een logisch uitvloeisel van deze drang de eigen grenzen te doorbreken.

De hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad ziet ook een ander motief voor de verdergaande samenwerking met de RPF. Hij verklaart die uit de culturele omslag die de Nederlandse samenleving in de jaren zestig heeft gemaakt. De Vries kenschetst die zo: “Voor die tijd heerste er in Nederland een soort CHU-achtige cultuur, van een oppervlakkig soort christendom. Daarna is er een sterke secularisatie geweest. We kregen meer een D66-cultuur. Wij moesten dus het strijdfront verleggen. Niet langer ging het tegen de mensen die het met de Bijbel wat minder nauw namen. We moesten ons keren tegen het afbrokkelen van de christelijke moraal. Dan is het logisch dat je samenwerking zoekt met andere christenen.”

De scheiding der geesten vormde vijftig jaar geleden juist de aanleiding voor de oprichting van het GPV en de breuk met de ARP, de oude partij van de gereformeerden. Met het Gereformeerd Politiek Verbond kregen de protestanten die zich in 1944 na een splijtend conflict in de gereformeerde kerken 'vrijmaakten', een eigen politiek onderdak. “Waar de avondmaalsgemeenschap gebroken is, daar kan niet een gemeenschappelijk optrekken zijn tot de godvruchtige daad van stemmen voor de politieke stembus”, zo rechtvaardigde een vrijgemaakte de breuk. Minder plechtstatig komt dat erop neer dat de vrijgemaakten in de politiek alleen wilden samenwerken met geloofsgenoten.

Officieel was theologische haarkloverij over de 'veronderstelde wedergeboorte' het strijdpunt, in werkelijkheid vormde dat leerstuk van Abraham Kuyper een van de vele geschillen in de gereformeerde kerken. Professor Klaas Schilder en andere voormannen van de vrijmaking voelden zich in de jaren die aan de breuk voorafgingen, ongelukkig met de sfeer van 'gearriveerdheid' binnen hun kerken. Kuypers leer was wet. “Kuyper had over alles zo ongeveer het laatste woord gezegd. Wij hadden weinig anders te doen dan deze laatste woorden te catalogiseren, repeteren en populariseren. Dat werd dan ook ijverig gedaan”, herinnerde de latere GPV-leider Jongeling zich.

Het taboe op debat over Kuypers erfgoed werkte volgens Schilder stilstand en achteruitgang in de hand. De gereformeerde synode accepteerde de weerspannigheid niet. In 1944, midden in de oorlog, schorste zij vele bezwaarde hoogleraren, predikanten en ouderlingen, onder wie Schilder, die Kuypers leer niet ten volle wilden onderschrijven. Een op de tien gereformeerden 'maakte zich vrij' van de synode en gezamenlijk stichtten zij de gereformeerde kerken-vrijgemaakt.

Hoewel de vrijgemaakten Kuyper respecteerden als een geniaal denker, beoordeelden ze zijn ideeën niet altijd als bijbels. Tegen de achtergrond van de oprichting van het GPV is hun kritiek op Kuypers positieve oordeel over de verscheidenheid in de kerk van belang. Kuyper schreef de versplintering van het christendom in verschillende kerken toe aan de onkunde van de mens, met zijn beperkte verstand, om de wil van God volledig te doorgronden. De kerken bezaten allemaal een deel van de waarheid. In tegenstelling tot de vrijgemaakten zag Kuyper daarom geen bezwaar in de kerkelijke verscheidenheid.

De vrijgemaakten beschouwden het bestaan van meer dan één kerk als een zondig verschijnsel, strijdig met de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dat gereformeerde belijdenisgeschrift roept de gelovigen op zich te voegen bij de ware kerk. Bij de vrijgemaakten bestond tot voor kort geen twijfel over de identiteit van die 'ware kerk'. Hun geschiedenis is gestempeld door de overtuiging dat zij het zèlf zijn. Als Jezus terugkeert op aarde, kerkt hij bij de vrijgemaakten, zo wil het grapje dan ook.

Die zienswijze van de ware kerk heeft ook in de politieke verhoudingen haar sporen getrokken. De afscheiding van de ARP en de oprichting van het GPV zijn althans niet los te zien van het principiële geschil over de kerkelijke verdeeldheid. In lijn met Kuypers positieve beoordeling van de kerkelijke verscheidenheid wilde de ARP een interkerkelijke partij zijn, toegankelijk voor alle protestantse gezindten. De vrijgemaakten vonden die gedachte nieuwlichterij en wezen op het risico dat in zo'n open huis allerlei 'dwaalleren' binnendringen. “De ARP vertoont duidelijke symptomen van principieelen achteruitgang, ja van afval”, schreef het blad De Reformatie, de spreekbuis van de vrijgemaakten. In zó'n partij voelden zij zich in 1948 niet meer thuis.

Achteraf bezien, stelt De Vries, is het verkeerd geweest de christelijk gereformeerden niet bij de vorming van het GPV te betrekken. Maar is die stelling niet strijdig met het ware-kerkdenken dat de vrijgemaakten toch tot voor kort aanhingen? De Vries: “Zeker, alle gelovigen behoren zich te verenigen in één kerk. Maar wij hebben nooit gezegd dat de christelijk gerefomeerde kerk een valse kerk is. We hebben ook nooit gezegd dat iedereen verloren is. Het gaat er wel om: maak eerst de goede kerkkeuze en kijk dan of je kunt samenwerken, bijvoorbeeld in de politiek.”

“Een valse kerk”, doceert De Vries, “is niet-echt. De preekleer is er niet zuiver, er vindt geen zuivere bediening plaats van de sacramenten en evenmin van de tucht.” De gedachte dat je het er voor samenwerking over eens moet zijn dat de vrijgemaakte kerk de ware kerk is, hebben de meeste vrijgemaakten losgelaten. “Berust er maar in dat je op dat punt elkaar niet kunt vinden”, adviseert De Vries. “We moeten respecteren dat anderen in volle overtuiging iets anders kiezen. Daarin staan we tegenover elkaar. Maar dat hoeft geen belemmering te zijn voor samenwerking. Hadden we eerder samengewerkt met de christelijk gereformeerden, dan had dat ook voorko- mend kunnen werken, dan waren we misschien wat kritischer geweest op onze eigen theorieën. Het isolement bevestigt je erg in je eigen ideeën.”

Het motto If you can't beat them, join them zal niet vreemd zijn aan het besluit van het GPV in te gaan op de avances van de RPF, het politieke onderkomen van de evangelischen. Beduchtheid voor verwatering van het eigen, confessioneel-gereformeerde karakter was voor het GPV tot voor kort de belangrijkste reden geen gevolg te geven aan de herhaalde oproep van de RPF bij de komende Kamerverkiezingen één kieslijst en één programma op te stellen. Maar de GPV-leiding ziet nu ook in dat een samengaan met de RPF op den duur onvermijdelijk is. De beide partijen beslissen over twee jaar of ze zullen fuseren. Tot die tijd houden de Tweede-Kamerfracties elke maand een gezamenlijke vergadering. Voor elk beleidsterrein wijzen ze bovendien een woordvoerder aan die namens beide partijen spreekt.

“De weg terug is er niet meer”, zei GPV-leider Schutte bij de bekendmaking van deze voornemens. Uit het oogpunt van politieke opportuniteit hebben GPV en RPF voor een gunstig moment gekozen om hun initiatief te openbaren. Door de kiezers het perspectief voor te houden op een bundeling van de krachten, kunnen de twee partijen meer profijt proberen te trekken uit de verzwakte positie van het CDA in het politieke krachtenveld. Sinds het aantreden van de paarse coalitie is een stem op het CDA geen vanzelfsprekende stem op de macht meer. Dat geeft de principiële keuzes van de christelijke partijen een groter gewicht in de afweging van de kiezers. Een combinatie van RPF en GPV die zich presenteert als het principiële alternatief voor het CDA kan een geduchte concurrent van de christen-democraten zijn. Dat alternatief heeft minder kracht naarmate het over meer partijen is verdeeld.

Naast de strategie is er ook nog de werkelijkheid van alledag. De programma's van GPV en RPF liggen dicht bij elkaar. De Vries ziet alleen op het gebied van milieu en infrastructuur “nuanceverschillen”, in die zin dat de RPF naar zijn mening wat verder gaat in de richting van het denken in termen van de economie van het genoeg. Samenwerking met het GPV zou voor het noodzakelijke evenwicht kunnen zorgen, denkt de hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad. Bovendien: “Ik kan me voorstellen dat het in de Tweede Kamer irriteert als twee heren ongeveer hetzelfde verhaal vertellen. Dat is geen sterk punt. En wil je nog eens op de wip zitten bij de formatie, dan is het ook beter om vijf zetels te hebben dan drie en twee”, meent De Vries.

Dat lijkt een behoorlijk parmantige stellingname voor een aanhanger van een combinatie die momenteel een magere vijf zetels in de Kamer bezet. Maar begin jaren tachtig werd bij de formatie wel degelijk nadrukkelijk gekeken naar GPV, RPF en ook SGP. En wel bij de vorming van een kabinet van CDA en VVD, dat alleen met steun van de drie kleine christelijke parijen een meerderheid zou hebben. Dat was de zogenoemde Staphorster variant. GPV-leider Schutte voegde daar zijn eigen Groninger variant aan toe: een kabinet van de twee groten en één kleine, het GPV - een coalitie die er overigens evenmin is gekomen.

Nog geen vijftien jaar later komt die gedachte van een centrum-rechtse regering met steun van de drie kleine partijen heel vreemd over. Op sociaal-economisch en op milieugebied zijn de kleine fracties eerder 'links' dan 'rechts'. Als de kleintjes al een kabinet aan een meerderheid moeten helpen, zou dat dan niet een kabinet van CDA en PvdA zijn? “Dat is absoluut waar”, zegt De Vries. “En dat heeft alles te maken met een ontwikkeling in de kleine christelijke partijen. Het GPV heeft economisch liberale trekjes gehad, de SGP ook. De RPF had aanvankelijk ook een liberale achtergrond. Maar door de nood der tijd, door het armoedeprobleem, door de macht van het kapitaal, om het maar eens rood te zeggen, zijn we kritisch geworden op dat verschijnsel.”

“Daar komt nog bij dat de PvdA de veren van zich heeft afgeschud van het anti-christelijke denken, van het revolutionaire denken. Door de val van het communisme is dat laatste niet meer relevant. En de VVD baseert zich niet langer op een christelijke traditie, maar op een humanistische. Dat maakt ook verschil.”

Bij die Staphorster variant hoorde ook nadrukkelijk de SGP. Ook dat lijkt verleden tijd. Het lijkt wel alsof de toenadering tussen GPV en RPF juist het verschil met de SGP scherper dan voorheen accentueert.

Het fundamentele onderscheid tussen de twee partijen enerzijds en de SGP anderzijds zit hem volgens De Vries in de uitleg van het begrip 'geestelijke vrijheid'. De GPV'er noemt de SGP 'heel strak op zedelijk gebied'. Hij kan dat het best toelichten aan de hand van concrete voorbeelden uit de gemeentepolitiek. Neem de bouw van een moskee. GPV en RPF zullen daar vóór stemmen, niet omdat zij de islam gelijkwaardig achten aan het christendom, wel omdat zij vinden dat de vrijheid van godsdienst boven alles gaat. De SGP stemt hier doorgaans tegen, weet De Vries.

Dat de SGP geen vrouwen in de raad, provincie en Tweede Kamer wil, noemt De Vries eerder een afgeleide van het SGP-denken dan een principe ervan. In de Tweede Kamer zijn GPV en RPF overigens ook alleen door mannen vertegenwoordigd, maar dat heeft met de principes niets te maken. Het lijkt slechts een kwestie van tijd voordat de eerste vrouw namens die partijen daar haar intrede doet.

Is voor een functie in het GPV het lidmaatschap van de vrijgemaakte kerk niet meer vereist, in de praktijk telt het GPV weinig anders-gelovigen en net zo goed zijn er weinig vrijge- maakten onder de RPF'ers. Een uitzondering is Roel Kuiper, een dertiger. Ofschoon vrijgemaakt, koos Roel Kuiper in het midden van de jaren tachtig doelbewust voor de interkerkelijke RPF als politiek onderdak, niet voor het GPV.

GPV'er De Vries bestrijdt het idee dat Kuiper, met zijn 35 jaar, model staat voor de gemiddelde vrijgemaakte jongere, die het steile gereformeerde geloof graag zou inruilen voor het vrolijke en opgewekte karakter van de evangelische geloofsbeleving. Ook in die zin zou de samenwerking met de RPF onvermijdelijk zijn; die wordt toch in elk geval ten dele gevormd door de evangelischen.

De Vries maakt korte metten met deze waarneming: “Kuiper is een uitzondering. De evangelische beweging heeft een zekere aantrekkingskracht op onze jongeren, dat kan ik niet ontkennen. Ze willen wat nieuws, ze gaan dat verkennen. Maar dat heeft toch meer de kracht van een bevlieging. Ze ruiken er even aan, maar na een paar jaar is het interessante er wel weer af.”

Nee, volgens de hoofdredacteur hangt de tegenstelling tussen hen die wel willen samenwerken en hen die dat afwijzen, niet samen met leeftijd. “Het loopt dwars door elkaar heen.” Na even nadenken: “Ik denk dat dat met karakter te maken heeft. De een is open naar de buitenwereld, de ander stelt zich wat terughoudender op. De een ziet kansen, de ander ziet vooral beren op de weg. De een heeft vrede met de onvolkomenheden in het leven, de ander legt zich daar niet bij neer.”

Zelf hoopt hij dat de komende verkiezingen de laatste zijn waarbij de partijen gescheiden optrekken. Daar geeft hij graag wat van de eigen cultuur voor op. “Als wij samenwerken, is het natuurlijk minder koekoekseenzang. Het GPV is altijd heel harmonisch geweest, ook door de krant. Er zal nu wat meer discussie komen, dat is best praktisch. Ik ben er in elk geval niet bang voor.”

Hij waarschuwt zijn toekomstige politieke partners wel dat het GPV niet àlle elementen van het ware-kerkdenken achter zich heeft gelaten: “Ik zou er graag aan blijven appelleren dat het zo jammer is dat we op zondag niet aan hetzelfde Avondmaal zitten. Die onrust moet er een beetje blijven. Anders is al het goede verloren gegaan van de ware-kerkovertuiging.”

mailIcon print |