*

 
dossier

Archief

Pechstein vijzelt vertrouwen wederom op

JOHAN WOLDENDORP − 12/01/98, 00:00

HELSINKI - Joachim Franke kan bij benadering niet vertellen de hoeveelste schaatskampioene Claudia Pechstein onder zijn leiding is. Hij heeft ze in alle categorieën en op alle afstanden, bij de mannen én de vrouwen, al afgeleverd. Losjes schudt Franke wat namen uit de mouw: Rene Schöfisch, Andre Hoffmann, Karin Kessow (in 1975 de eerste wereldkampioene in de geschiedenis van de DDR) en tweevoudig olympisch kampioen Uwe-Jens Mey.

De vrijwillige afwezigheid van Gunda Niemann op de EK in Helsinki betekende alleen voor haar landgenotes Pechstein en Anni Friesinger een rijke inspiratiebron. Doordat Niemanns logische opvolgster Pechstein zaterdag onder de slechtst denkbare omstandigheden (in een hevige sneeuwstorm, die ook haar directe tegenstandster Annamarie Thomas een podiumplaats aan het eind van het toernooi kostte) haar drie kilometer moest afwerken, leek het op de laatste dag nog even spannend te worden. Op de vijf kilometer moest die andere talentvolle Duitse, Friesinger, echter al snel het hoofd buigen. Dat luchtte het gemoed van de terechte Europese kampioene: “Het zou heel droevig zijn als je weet dat je de beste bent en je wordt het hier niet.”

De 21-jarige Friesinger kan als de eerste Duitse die haar wortels niet in de voormalige DDR heeft, de internationale schaatstop halen. Wat kracht en techniek betreft is ze de perfecte kloon van het koninginnekoppel Niemann en Pechstein. Maar ook de laatste heeft nog een hele toekomst voor zich. Zij is wél een product van de oude Oost-Duitse school. De 25-jarige Berlijnse was, gelijk haar grote voorgangster Karin Kania, als kind kunstrijdster, tot de dagelijkse ballettraining haar zover de keel uithing dat ze zich fanatiek op het hardrijden stortte. Haar topprestaties (beginnend met brons op de vijf kilometer op de Olympische Spelen van Albertville, overtroffen door goud op dezelfde afstand in Hamar) haalde ze uiteraard ruim na de val van de Muur. Maar nog voor de Wende won Pechstein, vijftien jaar jong, reeds zilver op de WK junioren van 1988.

Wellicht brengt die voorgeschiedenis haar en vooral haar trainer straks in een lastig parket. De Duitse overheid koestert concrete plannen om nog dit voorjaar in het verleden van de schaatstrainers uit het vroegere Oost-Duitsland te graven. In tegenstelling tot atletiek en zwemmen hebben tal van schaatscoaches uit de Dopingmusterstaat, zoals (West-)Duitse kranten de DDR hedentendage maar al te graag noemen, in hun nieuwe vaderland emplooi gevonden. Joachim Franke is één van hen. Hij was ijshockeytrainer toen de machthebbers in 1972 oordeelden dat in individuele sporten veel meer olympische roem viel te vergaren dan in dure teamsporten. Tot 1980 begeleidde hij de allround schaatssters, tot en met de Spelen van 1984 de allrounders en van '85 tot 1992 de (Oost-)Duitse sprinttop. De laatste zes jaar is Franke algemeen bondstrainer. Hij zegt het onderzoek niet te vrezen. “Als trainer ben ik me van geen kwaad bewust. En wat schaatsers op eigen houtje hebben gedaan, weet ik niet. Dat is ook niet mijn verantwoording.”

Die ontwijkende verklaring zal zeker niet afdoende zijn. Al denkt bijvoorbeeld Ab Krook dat Franke (en Rainer Mund, die in de jaren tachtig Kania en Schöne tot grote hoogte stuwde) niet veel meer dan klein visjes waren in die verre van rimpelloze, onwelriekende kweekvijver. Als Nederlands en West-Duits bondscoach onderhield de huidige topsportcoördinator van de KNSB redelijk warme vriendschapsbanden met Franke en Mund. Krook verhaalt van een informele afspraak die hij ooit met Mund had gemaakt. Tot een gesprek onder collega's kwam het niet, omdat twee superieuren van Mund er razendsnel lucht van hadden gekregen. Die vatten onmiddellijk post bij de auto van Krook.

Trainingstechnisch waren er geen geheimen. “Net als Rainer Mund werd ik van de ene op de andere dag van ijshockeycoach schaatstrainer”, vertelt Franke. “We wisten niets van schaatsen. We dachten: als we maar hard en vaak genoeg trainen lukt het wel. In onze naïviteit meenden we ook dezelfde successen te kunnen behalen als onze baanwielrenners. De wereldtitel van Kessow leek die theorie te bevestigen, maar het werkte toch anders.” Franke maakte de overstap in het jaar (1972) dat Pechstein het levenslicht aanschouwde. Een vergelijking tussen haar en Niemann vindt Franke misplaatst. “Gunda komt uit de atletiek, die is fysiologisch zeer sterk. Claudia schaatst veel eleganter.”

Qua karakter zijn de twee niet bepaald elkaars evenbeeld, waar het gaat om fysieke en mentale kwetsbaarheid kunnen ze heel aardig met elkaar wedijveren. Franke vertelt hoe hij Pechstein in 1991 uit een haast peilloos diepe put moest halen. En terwijl Niemann al een hele tijd met een onwillige knie tobt (het gevolg van een ongelukje bij het surfen) bracht Pechstein de laatste week van het afgelopen jaar ziek op bed door. Aan de andere kant greep ze de preventieve afwezigheid van Niemann op de EK en de wereldbekerwedstrijden van Hamar, half december, dankbaar aan om haar zelfvertrouwen fors op te krikken. “Het wereldrecord dat ik Gunda op de 3000 meter afhandig maakte, en deze Europese titel zijn goed voor het zelfbewustzijn. Ik heb op Gunda voor dat ik jonger en vrolijker ben en sterkere zenuwen heb.” Franke weet dat. “Niemann is de sterkste schaatsster van deze generatie. Ze is alleen te verslaan wanneer ze onder de druk bezwijkt.”

Jaloers is Pechstein slechts wanneer ze de maatschappelijke positie van haar grootste concurrentie onder ogenschouw neemt. Niemann benadert de status van schaatsmiljonaire, Pechstein moet als lid van de Bundesgrenzschutz haar brood verdienen. Ze is chronisch op zoek naar een manager die haar aan een privésponsor kan helpen.

Wat dat aangaat zijn haar Nederlandse collega's aanzienlijk beter uit. Prestatief konden ze dit weekeinde echter bij lange na niet in haar schaduw staan. Tonny de Jong (zevende en laatste Nederlandse) liet er in woord en daad geen enkele twijfel over bestaan dat ze een hartgrondige hekel aan buiten schaatsen heeft. Thomas (vijfde) kon, gezien de beperkte betekenis van het EK, nog haar schouders ophalen over de pech en het treurige feit dat ze de 1500 meter meer rennend dan schaatsend aflegde. De vijf kilometer was helemaal een lijdensweg. “Toen het bord aangaf dat ik nog tien rondjes moest rijden, zag ik het al niet meer zitten.” Barbara de Loor (zesde) gaf zichzelf wel een leuk steuntje in de rug. Op de wereldbekerwedstrijd in Innsbruck (komend weekeinde) moet de EK-invalster nog olympische kwalificatie zien af te dwingen. Het vlammetje van de hoop laaide in Helsinki iets hoger op, nadat De Loor in eerste instantie 'Nagano' al uit haar hoofd had gezet.

mailIcon print |