Wang Yiming is een rijke zakenman. Hij investeerde zijn complete kapitaal in de opbouw van het operahuis dat zijn voorvaderen stichtten. Niet dat hij een hekel heeft aan westerse cultuur. Hij wil in zijn traditionele Chinese operagebouw best 'English Corners' organiseren, als dat jongeren over de vloer haalt. Maar een groot Chinees publiek voor de serieuze traditionele Peking Opera binnenhalen, dat is zijn levensmissie.
Wang begon zijn carrière in de politiek. Zoals gebruikelijk voor zakenlieden met goede politieke connecties, was geld verdienen voor hem geen kunst. Op zijn dertigste was hij rijk. “Ik had een bar en een eigen bedrijf. Toen vroeg ik me af: wat kan ik nu nog doen? Je hebt mensen die dan doorgaan met nog meer geld verdienen, of ze raken verslaafd aan drugs.” Wang investeerde zijn kapitaal in het theatergebouw, dat dateert van 1713. Voor de communistische revolutie traden er beroemde operaspelers op. De acteurs speelden - met hoge stemmetjes en in kleurrijke gewaden - verhalen na uit China's keizerlijke dynastieën. Tijdens de Culturele revolutie werd het theater gesloten en gebruikt als hotel. Wang redde het nog net op tijd van de slopershamer.
Het theater staat nu, net als weleer, vol met ouderwetse Chinese kitsch. Bij de ingang staan boeddhabeelden, versierd met rode lampjes. Daarnaast foto's van de manager met beroemde bezoekers. Op tafels staan antieke vazen uitgestald. In het midden van het kleine theehuis staat een klein vierkant podium. De baas zelf zit in een kantoortje, gekleed in een zwarte leren jas. “Het was puur nationalisme, mijn investering in dit theater”, geeft hij toe. “Iedereen dacht dat ik gek was, maar ik voelde hier vibraties van mijn voorouders uit Ningbo. Zij bouwden dit theater. Het was mijn plicht het te redden.”
De ondernemer vergelijkt zijn hal trots met het Londense Globe Theater, dat werd heropend om er Shakespeare's stukken op te voeren. Het opschilderen van het oude theehuis was geen probleem, een Chinees publiek binnenhalen was dat wel. Tijdens de openingsavond was Wang Yiming de enige toeschouwer. Aan de prijs ligt het niet. Kaartjes voor Chinese bezoekers kosten drie yuan, nog geen twee kwartjes en Chinese studenten mogen gratis naar binnen. Het gaat ook nu nog wat moeizaam, voorlopig komen alleen wat buitenlanders, die tijdens de voorstelling Pekingeend geserveerd krijgen, naar de operavoorstellingen kijken. De Chinezen menen dat opera een moeilijke kunstvorm is, die alleen mooi is als je er alles van weet. Wang: “Ik nodig hele schoolklassen uit en die jongeren zijn echt verbaasd. Ze zeggen dat ze niet wisten dat Chinese cultuur zo mooi kan zijn.”
Eens per maand mogen ook amateurszangers gratis komen theedrinken en een soort van 'Peking Opera Karaoke' zingen. Tot voor kort kwamen deze liefhebbers van de oude cultuur samen in de parken van Peking. “Misschien kunnen we volgend jaar de kosten er uithalen”, blijft Wang optimistisch. Een paar jaar geleden zou niemand in China het in zijn hoofd hebben gehaald om al zijn geld in cultuur te investeren. Alle culturele instellingen vielen onder de staat. Als de staat geen geld gaf, en dat was meestal het geval, dan hield alles op. De Peking Opera werd opgevoerd in de staatstheaters, films werden streng gecontroleerd en revolutionaire musea waren stoffige plaatsen zonder bezoekers. Cultuur was een van de laatste uitingen die door de communistische partij onder de duim werden gehouden. Chinezen mochten hun eigen bedrijf beginnen, hun eigen huis kopen en zelfs op reis naar het buitenland. Maar wat maar enigszins kon leiden tot zelfstandig denken of radicale opvattingen, zoals persvrijheid of het bedrijven van kunst, bleef in handen van de staat. Maar daar kwam bij dat de Chinese elite zich ook helemaal niet in haar eigen tradities interesseerde. Het waren vooral westerse toeristen die genoten van de Peking opera, riksjatochten door de achterstraatjes van Peking hielden en ademloos genoten van de vele oude, mysterieuze tempels. De Chinezen zongen intussen in karaokebars, dansten in de disco en aten bij McDonald's. Voor de jeugd was de westerse cultuur een soort religie. Studenten leerden Engels en stelden zich voor als Daisy, Lily of Peter. Amerika was het grote voorbeeld, in elk opzicht. De Chinese tradities hielden het land en hun eigen ontwikkeling alleen maar tegen, vonden de jongeren. De boodschap was duidelijk: cultuur van een onderontwikkeld land is niet interessant. De achterstraatjes waren schandelijke poelen van armoede en verval. In de jaren tachtig werd in Peking nog maar op één plaats Peking Opera opgevoerd: in de theaterruimte van een hotel, waar een verkorte versie voor toeristen was gemaakt. De oude volkstheaters waren opgeofferd aan de stadsvernieuwing en de liefhebbers van de opera kwamen voortaan samen in het park.
Nu de economische verschillen tussen het Westen en de Chinezen in de grote steden kleiner beginnen te worden, veranderen ook de ideeën. Trots op de eigen natie en terugkeer naar eigen tradities zijn de volgende, voor de hand liggende stappen. Peking lijkt nog overspoeld door Amerikaanse cultuur. In iedere straat zit wel een hamburgertent, een knalroze Dunkin'-Donuts-stal of een bar waar je ice-tea en koffie kunt krijgen. Jongeren in jeans, meestal werkzaam in buitenlandse bedrijven, geven er avond aan avond hun geld uit. Maar niet langer wordt alles wat uit Amerika komt, als superieur gezien. Ronald McDonald is aardig voor de kinderen, maar fastfood haalt het niet bij de Chinese cuisine, verklaren nu zelfs de moderne jongeren desgevraagd. Buiten Peking is onlangs een pretpark verrezen dat Oud Peking heet. Daar kunnen de bezoekers nagebootste beroemde oude Chinese gebouwen en een reconstructie van Pekings vroegere stadsmuur zien. Het gaat concurreren met het bestaande Internationale Park, dat een Eiffeltoren en een miniatuur Witte Huis als bijzondere attracties heeft. En met het Wild West-park, dat een Amerikaans bedrijf er wil gaan bouwen. De politiek stimuleert de nieuwe interesse in eigen cultuur. De communistische leiders proberen het volk al jaren bij te brengen dat het voorzichtig moet zijn met het overnemen van westerse tradities. “De Chinezen moeten niet vergeten dat China economisch gezien snel op het niveau van de VS zal zijn”, zegt president Jiang Zemin. Het Westen zal dan in ieder opzicht, en vooral op cultureel gebied, hoogst inferieur worden. De politici willen van Peking een moderne metropool maken, en menig oud steegje gaat verloren aan de stadsvernieuwing. Maar op ieder nieuw gebouw in Peking komt tegenwoordig wel een Chinees dakje.
De cultuurminnende zakenlui zien hier een gat in de markt. Ze zijn ervan overtuigd dat ook het grote publiek, net als de elite, na verloop van tijd het licht zal zien en zich massaal op de eigen cultuur zal storten. Tien jaar geleden leek het wel of alle jonge ondernemers in China een import/exportbedrijfje begonnen. Daarna zat wie je maar in de kroeg tegenkwam, in de advertentiewereld. Nu hebben ondernemers in de hoofdstad allemaal een 'cultuurbedrijfje', dat bemiddelt bij het organiseren van culturele evenementen. Ook meer veilinghuizen openen hun deuren en antiekwinkels doen goede zaken.
En het is 'in' om in Peking een eigen museum te beginnen. Een bejaard schildersechtpaar maakte van hun eigen huis een museum. Praktisch hun hele leven brachten zij door in een siheyuan, een traditioneel oud huis, waar zij leefden van de verkoop van enkele kunstwerken en een staatssalarisje. Twee jaar geleden besloten zij het grote publiek aan te klampen. Het moeilijkst was, zo herinneren de twee zich, een overheidsorgaan te vinden dat officieel toestemming wilde geven voor zo'n vooruitstrevende beslissing. De burgemeester van Peking kwam eraan te pas, en toen kon het minimuseum open.
Inmiddels zijn er twee privé-musea in de hoofdstad bijgekomen. De kleinzoon van China's beroemdste schilder, Qi Baishi, probeert van het huis van zijn grootvader een openbare kunstinstelling te maken. Hij voert daarvoor harde onderhandelingen met het bedrijf dat de grond waarop het huis staat, ooit van de staat kocht. De oude siheyuan staat als enige overeind, midden in een afbraakbuurt waar het puin van historische huisjes op oude vrachtwagens wordt weggevoerd. Met de overheid voert de kleinzoon strijd over de schilderijen die tijdens de Culturele revolutie door Rode Gardisten werden meegenomen. Qi merkte dat de Chinese overheid niet met kunst kan omgaan. Hij weet dat de kunstwerken nog wel ergens hangen, waarschijnlijk bij hoge partijleiders in huis, maar niemand wil hem vertellen waar. Qi wil de schilderijen van zijn grootvader terug om ze straks in zijn privé-museum te hangen.
Voorlopig kampen alle kunstminnende ondernemers met hetzelfde probleem: gebrek aan geld. “De inkomsten van de entreekaartjes betekenen helemaal niets voor de dekking van de kosten”, zegt een museumhouder die oud meubilair tentoonstelt. “We hebben 150 000 gulden per jaar nodig om het museum open te houden. Gelukkig heb ik een bedrijf en een deel van de winst gaat naar het museum.” Zodra zakenlieden in culturele evenementen investeren, verandert er van alles. De Concert Hall in Peking wordt de laatste jaren door een zakenman gerund. Hij verving de onvriendelijke kaartjesverkoopsters door een computersysteem, waardoor liefhebbers nu in alle grote winkelcentra kaarten kunnen bestellen. De prijzen stegen wel flink, want de ondernemer weet dat vooralsnog alleen de nieuwe rijken naar de concerten komen luisteren. Sommige theatergezelschappen en orkesten hieven zichzelf op en begonnen opnieuw onder eigen naam en met steun van het bedrijfsleven. Bijkomend voordeel was dat de matige musici meteen op straat konden worden gezet.
Wang Yiming ziet in de privé-cultuur een mooie toekomst. “Straks zullen we het in China allemaal zelf doen. We beginnen met de Peking Opera en met musea. Daarna zullen mensen zelf kranten en andere media bezitten”, denkt Wang. “Alles wat de staat aanpakt, wordt corrupt. Wij ondernemers kunnen het veel beter. Dat hebben we in het verleden al vaker bewezen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.