*

 
dossier

Archief

GESCHIEDENIS

MARTIN VAN DER LAAN − 24/01/96, 00:00

Als je erin viel, verzoop je. Wie ging varen, was al dood. De schrik van 1995 was een terugkeer naar onze normale verhouding met water.

Nee! Filmmaker Louis van Gasteren schreef over de 'eenvoud van onze existentie': “We beginnen in het vruchtwater, komen buiten boord en het stroomt van de regen, de wind giert om ons heen, we halen het zwemdiploma; we houden ons de rest van het leven bezig met het keren en beheren van het water. . . het blijft ons omringen, dagelijks voelbaar, waarneembaar, een leven lang. Het wordt herfst, de bladeren vallen in de sloot, we sterven en komen in onze kist in het grondwater terecht. Einde cyclus.”

W ater, water, en toen ik eind januari vorig jaar met de trein op Roermond kwam aanzetten, water zover je kon kijken. Alsof de NS een hovercraft op bielzen hadden ingezet, een van hogerhand beschermde wagon die over verzopen Nederland zweefde.

Angst was er natuurlijk niet, terwijl toch sinds m'n achtste op mijn netvlies het beeld bestorven ligt van een jochie van vijf dat aan een pikhaak door de lucht vliegt, verdronken voor onze voordeur. In die warme coupé verbeeld je je, desnoods van Culemborg naar Wijk bij Duurstede te kunnen zwemmen.

Maar die ene nacht in 1953 moet alle bravoure zijn bezweken. Een vrouw herinnert zich een zinkende boot met vijf kinderen erin, helemaal alleen. “Dan zag je die handjes, ik zie dat nog: zo'n blauw wantje, dat heb ik nog maanden voor me gezien. Eerst hielden we ons allemaal aan de schoorsteen vast en dan fladderen je kleren om je heen. Net een vlag in de wind. Je keek naar dat bootje. Maar op het laatste zag je nog maar één kindje, en dan zag je een handje boven het water.”

Wat weten ze er van in de Ooijpolder en de Bommelerwaard, na die droogtraining van een jaar geleden? Zo'n drama: “Ze was in Oude Tonge verdronken en ze had haar pantoffeltjes nog aan, ze was al in vergaande staat van ontbinding, want haar vader moest komen kijken of ze het was. Maar hij kon het niet zien, omdat ze niet te zien was, meer. Hij zag het aan haar pantoffeltjes en ander goed dat ze aanhad. Dat is wat voor een moeder.”

Een paar fragmenten uit Het water en de herinnering van Selma Leydesdorff en je beseft weer hoe het water een volk tekende. Water, waar we zelf voor 95 procent uit bestaan, helpt ons sinds Hollands heugenis met regelmaat naar de kelder en beheerst ons gemoed. Water boezemt een enorme huiver in en verweekt daardoor de rede: “Verstandelijk zeg ik van 'Het kan nu niet meer', maar gevoelsmatig. . . Het blijft toch altijd water en het kan overal heen.”

“Het water. . . als het echt wil, dan verlies je het. Het probeert het altijd te winnen, dat doet het nog steeds. Het is net alsof het water altijd mysterieuze krachten heeft om terug te vechten.”

En bij een storm hoor je weer dezelfde geluiden als toen, vertelt een Zeeuw in het boek van Leydesdorff. Is hier sprake van een collectieve angst, die door de geschiedenis heen zo diep is geworteld dat ze zich door geen dijk of waterkering meer laat verjagen?

water heeft het nooit goed gedaan. Door het permanente geklots om hem heen had de middeleeuwse mens er al weinig mee op. Hoe doodsbenauwd ze er voor waren, leest neerlandicus dr. Willem Kuiper, verbonden aan de universiteit van Amsterdam, in tal van doctrinalen, leerboeken uit die tijd.

“Tekenend is dat mensen die gingen varen eigenlijk werden opgegeven. Voet op een schip zetten betekende verzuipen op termijn. Ooit werd een filosoof gevraagd of er nu meer mensen leefden dan er ooit in totaal hadden geleefd. Het hing ervan af, antwoordde hij: 'Bij welke van de twee partijen moet ik de zeevarenden rekenen?' Doodsbang waren ze voor alles wat water was.”

Een middeleeuwer kon er ook minder de vriendelijkheid van inzien. Water maakte pap van het land. Kuiper: “Het was wel even anders toen, zonder die perfecte hemelwaterafvoer van ons.” Moeras en modder tot aan den einder: “Dat hebben Floris V en zijn vader gemerkt in de strijd tegen de Friezen. Alkmaar konden ze nog wel bereiken, maar daar moesten ze dan naar rechts en liepen ze zo de prut in. Hetzelfde gebeurde de bisschop van Utrecht die opstandelingen in de Achterhoek wel even zou gaan bestraffen; ook hij eindigde met zijn mannen midden in het moeras.”

Water en het middeleeuwse bestaan verdroegen elkaar niet, al was het alleen maar om de wijze waarop men zich toentertijd in zo'n waterrijke omgeving kleedde. Volkomen verkeerd, te dik, te zwaar, het was vragen om narigheid: “Wie te water raakte, verdronk”, stelt Kuiper vast uit de geschriften.

“Zo trekt eens een dorp ten strijde tegen de bisschop van Utrecht, een man die aan knokken een dagtaak had. Strijders met prachtig materieel worden ingescheept, maar in de buurt van Utrecht gaat er iets mis. Wat een strijder te paard kón doen, zóu hij te paard doen. Dus moesten ze zo nodig te paard van die rottige schuitjes het land op. Er wiebelt er een, de schuit kantelt een beetje mee, man en paard lazeren van de plank en verdrinken jammerlijk. De stemming slaat volledig om en de veldtocht wordt afgelast. Ja, dat gepassioneerde van toen.”

De mode schreef dus min of meer doodsgewaden voor. “Als je zo zwaar gekleed in het water terecht kwam, was het vaak te laat tegen de tijd dat ze je op het droge hadden. In de honderdjarige oorlog tussen de Engelsen en de Fransen gaan er zoveel Fransen overboord, die dan ook allemaal verdrinken, dat wordt geschamperd dat de vissen hier wel Frans moeten spreken.”

Water was in alle opzichten verdacht. Drinken moest je het sowieso niet. “Alleen gevangenen en religieuzen dronken het. Gewone mensen zetten zich 's morgens al aan het dunnebier, een twee-procentsbier, voldoende om ontsmet en houdbaar te zijn. De adel dronk om die tijd witte wijn. Veilige dranken, zeg maar.”

En niet zelden was om vier uur 's middags de menigte dan zat: “Alle ruzies, alle grote moordpartijen, ze beginnen steevast om vier uur 's middags. Vaak aan de vooravond van een feest, want dan hielden de mannen wat vroeger op. En ze waren al zo heetgebakerd. Dan lees je over Gaston Verpoes, die zijn zoon een mietje vindt, op een middag met een mes zijn nagels zit te snijden en hem al goed heeft zitten: ruzie natuurlijk, hij zwaait bezopen, ongecontroleerd door de lucht van 'sodemieter op, joh', en zoon is dood.” En zo heeft Kuiper nog wel een paar verhalen waaruit blijkt hoe gezegend wij nu zijn met onze kraan.

Water mag en kán gewoon niet in die dagen, en zo bouwt de middeleeuwse stedeling dagelijks met de uren zijn alcoholspiegel op. “Wie dronken er water, behalve de plattelanders die, net als onze opa's van tachtig of negentig, nog zo een slok uit de sloot namen? Alleen de herders en herderinnetjes, mensen uit een fictieve wereld, laafden zich bij een fontein. De boeren dronken uiteraard melk, wat de stedelingen deed vermoeden dat melk de hersenen verweekt, want ja, hoe dachten stedelingen over boeren toen.”

“Water was smerig en praktisch niet schoon te krijgen. Water was er voor de afvoer van vuilnis, slachtafval, uitwerpselen, loogzout, noem maar op. Alleen mensen die bovenaan de stroom woonden hadden er iets aan. Het zal wel vaak gedonder gegeven hebben, net als in de fabel van Esopus, waarin de wolf zich kwaad maakt omdat het lam boven hem drinkt en in zijn ogen het water vervuilt. 'Wat zeur je', zegt het lam, 'ik sta onder je hoor.' 'Wat? Nog een grote bek ook?' Hap!”

Waren het geen tijden voor de Blauwe Knoop, ook als weekmiddel maakte water geen furore. Onder die zware kledij moet het flink gebroeid hebben, maar afgezien van een incidenteel bezoek aan een van de badhuizen, nog naar de Romeinse traditie van de thermen, werd er indertijd weinig gepoedeld. “En zwemmen was er al helemaal niet bij. Nergens lees je dat ze voor hun plezier het water in gaan. Nooit! Weet je wat watersport heet in die tijd: jagen op eenden en konijnen, alles wat zich aan de waterkant ophoudt.”

“Het behoorde nu eenmaal tot de christelijke ascese om je niet te wassen. Je lichaam baden grensde aan ontucht. Dat was iets voor heidense Romeinen. Met niet te baden nam de christen afstand van die zinloze lichaamscultus.”

Water kon je niet heilig maken, wel de zweren en schilfers van een huid die nooit werd gespoeld, zoals die van de aartsbisschop van Canterbury.

Zo bezien stond water in de Middeleeuwen eigenlijk al het goede in de weg. “Het trok ook de grenzen. Dorpen die hemelsbreed een paar honderd meter van elkaar lagen: ze konden eens kennis maken als er ijs was.”

Maar ook dat bevroren water bracht niets dan rottigheid, vermeldt J. Buisman in het pas verschenen Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. “Als de rivier dichtvriest en het ijs sterk genoeg is, staat men bloot aan plundertochten door snelle vijandelijke ruiterij. Gaat het eenmaal dooien, dan dreigen ijsgang en de vorming van ijsdammen met als onvermijdelijk slot een waterramp.”

Zo reeg water op treurige wijze de tijd aaneen. Over de middeleeuwer schrijft Buisman: “Hij beleeft de tijd als een min of meer toevallig fenomeen, zoals de ruimte om hem heen. Gebeurt er niets, dan bestaat de tijd ook niet.” Maar het water zorgde er voor dat de tijd af en toe wèl bestond, het garandeerde de mensen dat ze tussen de stilten door van ellende naar ellende moesten leven.

De natte, koude winter spreekt in de kronieken, de hete zomer zwijgt, merkte Buisman. Kuiper ziet het anders: “Hitte is ook iets vreselijks geweest en dat lees je. Zoals gezegd, men kleedde zich zwaar. Het was voor soldaten bij voorbeeld de keuze tussen in tweeën gehakt worden of het warm hebben. Bij veldslagen zag je tientallen doden zonder één schrammetje, gestikt van de hitte. Nee, het was niet alléén het water. Die strijders donderden zo van hun paard. Maar water en kou zijn erger. Vraag het de bedelaar, die weet het. Alles beter dan nattigheid, geef hem maar de warmte, en vlooien op de koop toe.”

Kou en water imponeren meer. En hier vloeit de middeleeuwse geest naadloos over in die van de '53-gangers, lijkt het wel. “Natuurgeweld was òf een straf òf een beproeving.” De wereld beweegt niet zonder God. “Niets gebeurt zonder dat zijn hand erin is te ontdekken. Is het een straf, dan weet je dat doorgaans wel van jezelf. Ben je je van geen kwaad bewust, dan is het een beproeving. Buig dan, maar bal nooit een vuist naar boven.”

Dat zegt Kuiper over de middeleeuwen, maar eeuwen van overstromingen later lees je in De Ramp, een reconstructie van journalist Kees Slager dat eenderde van de evacuees in 1953 de ramp als een wil van God heeft ervaren. Ouderling Leendert Potappel had het zondag 25 januari 1953 nog van de kansel geroepen: “De ongerechtigheden stapelen zich op en de overtredingen zijn vele. Er dreigt een totale ruïne. God zal ook onze dijken doen doorbreken. Zo gij u niet bekeert, gij zult allen desgelijks vergaan. Een gehele ondergang dreigt ons, want de zonden wassen steeds aan.”

Potappel moet zijn eigen profetie niet al te serieus hebben genomen, schrijft Slager, want hij blijft te lang hangen in zijn huis dat, door de vloedgolf wordt vermorzeld. Met Potappel.

Trouw ziet in de ramp ook een oordeel van boven en maakt een vergelijking met de eens door een storm weggevaagde Spaanse Armada, waarop de Hollanders indertijd een gedenkpenning lieten slaan met 'Gods adem heeft ze verstrooid.' En dan schrijft Trouw: “Thans gaat het over de trotse werken van onszelf. Ja, natuurlijk, wij weten wel dat het allemaal te berekenen is: springvloed plus windkracht zoveel. Zo was het met de Armada ook. Maar deze ramp geschiedt evenmin bij toeval als de vernietiging door stormgeweld van 's vijands vloot. Als ons volk nu maar begrijpt dat God in deze storm was, dan zou de enorme materiële schade niet alleen het nationale solidariteitsgevoel sterken maar ook geestelijke winst kunnen betekenen.”

Onze angst en afkeer zijn sterk gevoed door de beelden van zee en watervlakten, gepresenteerd in de Bijbel en oude literatuur. Kuiper: “Zoals in de Keltische gedichten, waarin rivieren worden voorgesteld als onpeilbare diepten, onafzienbaar breed. Het zijn enorme barrières, scheidingen met een andere wereld waar slechts een enkele uitverkorene eens een blik overheen mag werpen.”

Er spreekt een oerangst uit die we misschien wel uit onze peutertijd meenemen. In haar boek Ontwikkelingspsychologie constateert Rita Kohnstamm dat een kind van een paar jaar bij wie het zelfbewustzijn begint te dagen, wordt geconfronteerd met nieuwe angsten. Het kind ontdekt zichzelf als 'gangmaker der dingen', maar merkt tegelijk dat het niet overal vat op heeft. Op storm en onweer bij voorbeeld niet, en ook niet op water. Tweejarigen krijgen watervrees, ze zijn niet eens zozeer bang voor het water, maar eerder voor de vlakte waar ze voor staan.

De Bijbel helpt je zeker niet van die angst af. Water, zee, ze worden gepresenteerd als de “Grote Afgrond, oord van onpeilbare mysteries, een vloeibare massa zonder bakens. In de mysteries van de oceanen willen binnendringen grenst aan heiligschennis”, schrijft de Franse historicus Alain Corbin in Het verlangen naar de kust.

In de Hof van Eden was natuurlijk geen zee. Maar we kennen het verhaal en sindsdien zagen de mensen volgens Corbin in zee en oceaan een boodschap voor de vromen. “Zijn gegrom en gebulder, zijn uitbarstingen van razernij kunnen worden opgevat als even zovele verwijzingen naar de schuld die de eerste mensen, gedoemd om te worden verzwolgen, op zich hadden geladen; zijn geluid alleen al kan worden geïnterpreteerd als een ononderbroken uitnodiging tot berouw, een aansporing om op de rechte weg te blijven.”

Daar kijken we nu op een zonnige zomermiddag in Zandvoort even anders tegenaan. Je kunt er dan moeilijk een dreigend overblijfsel van de zondvloed in ervaren, maar met een greep uit de literatuur van de 16de en 17de eeuw laat Corbin zien hoe de zee ook toen nog werd opgevat als schrik voor de schepselen, als verdoemde, duistere wereld, schuilplaats van monsters, het domein van Satan.

Het demonische karakter van het razende water vraagt om bezweringsactiviteiten, schrijft de historicus. “In de zestiende eeuw gooien Portugese en Spaanse zeelieden soms relikwieën in de golven.” De storm gaat heus niet vanzelf liggen.

Die watervlakte, 'spiegel van de dood', kom je in gedichten uit die tijd zelden tegen als een rimpelloze uitgestrektheid. Eerder raast de storm uit vier windstreken tegelijk en gaat van de zee voortdurend de suggestie uit van een mogelijke nieuwe zondvloed. Als je permanent zicht hebt op dat gevaar, moet het in je ziel gaan zitten. Socioloog J. Bierens de Haan schreef in 1939 al dat “deze voortdurende aanraking met de machten der natuur” tot element van ons volkskarakter is geworden.

Het maakte ons waakzaam en nuchter, en zeer ontvankelijk voor een godsdienstige overtuiging, meende hij: “De wijde Hollandsche luchten met hun compacte wolkenmassa's, de teere nevelachtige verschieten, de oneindige verten van water en land”, Bierens de Haan begrijpt wel hoe “zowel calvinisme als mystiek in de ziel van dit volk hebben wortelgeschoten. Zo hoort een volk bij zijn land.”

Dat volk kan met regelmaat aangrijpend relaas doen over het water, en zegt het uiteindelijk misschien net zo als die vrouw in De Ramp, een reconstructie: “Ik raak die ramp nooit meer kwijt.”

Je moet jezelf er tegen beschermen, vertelt deze vrouw, die het net overleefde in '53, en een week na de evacuatie haar ervaringen op papier zette. “Maar ik heb het zelf nooit meer helemaal kunnen lezen, want het emotioneert me te zeer. Ik heb een standaard-verhaaltje over de ramp, dat ik kan vertellen zonder in tranen uit te barsten. Maar ik moet er niet buiten gaan, want dan is het mis.”

Hoe moet het water die man in eenzaamheid hebben opgesloten, die bij Oude Tonge zijn vader, zijn zuster en zijn dochtertje verloor. Hij vond zijn kind tenslotte zelf. “Ze lag in een greppel. Ik zag meteen aan de kleertjes dat het Willy was. En ondanks die gruwelijke vondst was ik toch blij. Het is nòg erger als je je familieleden niet meer terugvindt.”

Zoals zijn zuster. Kees Slager beschrijft in zijn boek hoe deze man jaren nodig had om zijn verdriet te verwerken. “Soms liep hij nachtenlang buiten in de polder. Als hij ging werken op het land, moest vaak een van zijn kinderen met hem mee; bang als hij was om ook dàt kind kwijt te raken.”

mailIcon print |