Van een onzer verslaggevers DE BILT - Het ijs blijft opvallend dik volgens het ijsmodel van het KNMI en dat zal de rest van de week niet anders zijn.
Zo lang is het model nu al aan het rekenen op een en dezelfde ijsvloer, dat Herman Wessels van de afdeling waarnemingen en modellen van het KNMI afgelopen zondag toch maar eens de proef op de som ging nemen. Op de Loosdrechtse plas mat hij 25 centimeter. “Daar was trouwens ook nog iemand aan het schaatsen.”
Nu gaan schaatsen raadt hij niemand verder aan, want waar wordt gespuid of gemalen kan het ijs van onderaf door stroming behoorlijk zijn aangetast. “En al is het midden op het water prima, zodra je bij de kant komt heb je weer met kusteffecten te maken. Eigenlijk moet je nu steigertjes gebruiken om op dik ijs te komen. Zondag zag je trouwens met die mist alleen aan een fiets tegen een hek dat er iemand op de plas moest zijn.”
Die 'kusteffecten' maken het ijs aan de waterkant stukken minder betrouwbaar dan in het midden. Kwelwater uit de oevers, ruim boven nul en met door vervuiling meestal een vriespunt onder nul, vreet zich het ijs in. En wanneer de vorst wat uit de grond is, zorgt warmtestraling vanaf de oevers ervoor dat aan de kant altijd de eerste plassen staan.
Smalle sloten hebben van die effecten natuurlijk meer te lijden dan brede wateren. Daarnaast is in de door het KNMI-model geleverde cijfers deze week ook de invloed van de waterdiepte weer merkbaar. Toen het buitenwater pas dicht was gevroren, lag er op de sloten centimeters meer ijs dan op de meren, omdat diep water er langer over doet om van bodem tot oppervlak tot vier graden te worden afgekoeld, een voorwaarde om ijsvorming te kunnen krijgen. Daarna kropen de dikten van diep en ondiep water langzaam naar elkaar toe, omdat een dikke ijsvloer de vrieskou minder goed geleidt en dus minder snel aangroeit.
Nu het dooit, is de sloot juist in het nadeel en dat komt doordat de bodem daarvan dichter bij het ijs ligt. Wessels: “Hoeveel warmte er uit die bodem naar boven sijpelt is niet precies in een computermodel te stoppen, dan zou je ook de afkoeling van de grond weer moeten meenemen en dat wordt veel te ingewikkeld. Daarom heeft het model daar een schatting voor. Die warmte heeft normaal gesproken maar weinig invloed, maar nu de dooi zo langzaam gaat, wordt het merkbaar in de ijsdikteverwachting.”
Die trage dooi is te danken aan het stabiele weer. Doordat het weinig waait, kan een koude en daardoor wat zwaardere luchtlaag zich vlak boven het ijs handhaven als een natuurlijke isolatielaag. De mist boven dat koude oppervlak houdt overdag de zonnestralen weg. En 's nachts vriest het nog. Wessels: “Eenzelfde dooiaanval in januari heeft nooit zoveel effect als een in februari of maart. Want in januari is de stralingsbalans nog negatief: de zon staat zo laag, dat er 's nachts meer warmte wordt uitgestraald dan we overdag krijgen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.