*

 
dossier

Archief

Joodse ergernis over doctrinaire betweterij

RUDOLF BOON − 03/01/97, 00:00

Zo lang er redelijke grond bestaat voor ergernis van joodse kant lijkt de tijd nog niet aangebroken voor een dialoog. Wel voor aandachtig luisteren. De auteur heeft door de jaren heen veel gepubliceerd over de joods-christelijke betrekkingen.

Sommige oorzaken van die ergernis liggen voor de hand. Hoe sympathiek ook zulke christenen bij joden mogen overkomen, toch zullen zij door hen onwillekeurig gezien worden als een levende herinnering aan een godsdienst, die in zijn ontwikkeling maar al te vaak getracht heeft zijn joodse herkomst te verloochenen.

Er zijn echter ook verborgen oorzaken van misverstand en kortsluiting, die tot ergernis kunnen leiden. Ik beperk mij tot een viertal van verstrekkende betekenis.

Het begint met een in christelijke theologie nogal gangbare, mijns inziens grondig verkeerde kijk op de kerk. Volgens deze visie zou de kerk, als wereldomspannende una sancta catholica, tegenover het joodse volk, bij uitstek de vertegenwoordigster zijn van de volkenwereld. Deze visie komt echter neer op een verloochening van de unieke vertegenwoordigende betekenis, die de Schrift toekent aan het volk Israël te midden van de volken. Bovendien wordt over het hoofd gezien, dat de kerk naar haar oorspronkelijk-bijbelse structuur (zie Handelingen 15) een twee-eenheid is met een interne rangorde. Vooraan gaat namelijk als onveranderlijk blijvende grondslag de kerk uit de besnijdenis. Die grondslag wordt gevormd door de apostelen met hun getuigenis, tezamen met al wie uit hun volk dit getuigenis hebben omhelsd. Op dit fundament - en dus daarna - is de kerk uit de volken ontstaan.

Al eeuwen lang wordt de christenheid vrijwel geheel gevormd door de kerk uit de volken. Maakt dit feit de oorspronkelijk-bijbelse structuur van twee-eenheid en rangorde soms fictief? Neen, allerminst. Tenzij de kerk uit de volken haar apostolisch fundament van joodse herkomst zou verloochenen en daarmee Mozes en de profeten, kroongetuigen van de apostelen, buiten de deur zou zetten. Zelfs al zou in geen enkele kerk een gelovige uit Israël zich meer bevinden, dan nog blijft de kerk uit de besnijdenis begin en beginsel van geheel de christelijke geloofsgemeenschap.

Een tweede oorzaak van frustratie schuilt in de manier waarop de kerk omgaat met de Schrift. In de kerkdienst worden Mozes en de profeten gelezen, de psalmen gezongen. In de meeste kerken wordt het psalter (het psalmboek) met voorbijgaan aan Israël regelrecht betrokken op Christus en zijn gemeente, terwijl de woorden van Mozes en de profeten nog steeds worden opgevat louter als aanloop tot de Evangelielezing. Maar beseft de gemeente, dat heel veel bijbelwoorden niet voor haar, maar voor Israël alleen bestemd zijn? Is zij zich ervan bewust, dat zij niettemin aandachtig en eerbiedig mag meeluisteren in afwachting van woorden, die wel regelrecht gericht zijn tot haar als kerk uit de volken? Ook Jezus richt zich in de eerste plaats tot Israël en middellijk tot de kerk uit de volken, door bemiddeling van zijn apostelen. Maar wordt in de gangbare uitleg van Jezus woorden die gepaste afstand in acht genomen?

Een derde bron van misverstand ligt verbonden in een veronderstelde 'hellenisering' van het christendom. De term suggereert, dat reeds de vroege kerk onder invloed van de hellenistische cultuur vervreemd zou zijn geraakt van haar joods-bijbelse oorsprong. De apostolische geschriften, voortgekomen uit de wereld van het toenmalige jodendom, zijn ons overgeleverd in de lingua franca van de hellenistische cultuurwereld. Hetzelfde geldt voor de Hebreeuwse bijbel. Want deze heeft de kerk uit de volken het eerst leren spellen in de versie van de Septuaginta. Bovendien heeft het vroege christendom een diepgaande invloed ondergaan van het Alexandrijnse jodendom, dat de confrontatie met de hellenistische cultuurwereld had doorstaan, zonder teloorgang van de eigen identiteit.

Tweeërlei valt hierbij te bedenken. Het Alexandrijnse jodendom is een authentieke vorm van jodendom geweest. En van dit jodendom heeft de vroege kerk geleerd zich weerbaar op te stellen tegenover een niet-bijbelse cultuur. Bij contacten met de wereld van het huidige jodendom moet dan ook niet vergeten worden, dat de kerk uit de volken reeds bij haar begin een blijvende invloed heeft ondergaan, niet van een door hellenisme verbasterde syncretistische vorm, maar van een authenthieke vorm van jodendom.

Ten laatste: terecht kunnen joden zich ergeren aan de pretentie van christenen, die wel eens zullen uitmaken wat wel en wat niet past binnen het kader van hun 'Israël-theologie'. Alsof de wereld van het jodendom zich ook maar iets zou aantrekken van een christelijk-theologische oordeelvelling! De joodse ergernis over zo'n doctrinaire betweterij behoort christenen erop te attenderen, dat zij kennelijk nog steeds niet erin geslaagd zijn het joodse volk te begrijpen en te aanvaarden zoals het zich zelf kent. Zolang er redelijke grond bestaat voor ergernis van joodse kant lijkt mij de tijd nog niet te zijn aangebroken voor een dialoog - uitgezonderd wellicht waar ergernis inmiddels geweken is door verworven inzicht en begrip dankzij intense persoonlijke contacten. Christenen, die in oprechtheid toenadering zoeken tot het joodse volk, zullen vooralsnog bereid moeten zijn om aandachtig en volhardend te luisteren. Laten zij hun besef van verwantschap en verbondenheid met Israël maar eerst eens overtuigend bewijzen door met belangstelling, medeleven en solidariteit te volgen wat er omgaat in de wereld van het jodendom. En laten zij eens en voor altijd zich ervan bewust zijn wat het betekent het jodendom in eigen huis te hebben: kerk uit de besnijdenis als begin en beginsel van de messiaanse gemeenschap waartoe zij zich rekenen.

mailIcon print |