Met Pasen even overgewipt naar het voomalig Rijksdeel overzee, dat door Den Uyl en Pronk halsoverkop in de onafhankelijkheid is geduwd. Zo kijken althans veel mensen in Suriname er tegenaan. Deze twee kopstukken van de sociaal-democratie staan daar dan ook beslist niet in een goed blaadje.
Ik was ook op een tripje naar het binnenland. We verbleven een paar dagen in Afrika. Dat gevoel krijg je als je in het gebied van de bosnegers bent. De cultuur van de Saramaccaners, het grootste deel van de bosnegervolken in Suriname, lijkt nog helemaal intact. Dat wil dus zeggen dat de Afrikaanse tradities die de weggelopen negerslaven meenamen naar het oerwoud, nog levend zijn. Inderdaad wordt er bij belangrijke feesten volop geofferd aan de geesten van de voorouders, die voorspraak moeten bieden bij de goden. Je betreedt een dorp onder een boeg van palmbladen, die de kwade geesten moeten weren. De grootste woudreus, de kankantri, is een heilige boom. Sommigen maken een afspraak met de boom: als hij valt, zal ik sterven. Ook op het gebied van de familierelaties leeft de traditie nog sterk. Een man mag vijf vrouwen hebben, maar voor elke vaste relatie moet hij keurig toestemming vragen aan een oom van zijn moederskant en een oom van de moederskant van de vrouw. De familielijnen lopen via de moeder. Ook dans en muziek zijn volstrekt eigen, zonder invloed van kaseko, zouk en wat bands in Paramaribo verder maar spelen.
Het relatieve isolement van deze volkeren, in de haast ondoordringbare jungle waar alleen vervoer per korjaal mogelijk is, heeft het behoud van hun oorspronkelijke cultuur sterk bevorderd. Vermenging met andere volkeren komt nauwelijks voor.
Maar de idylle, die het leven lijkt, is het niet. De bosnegers zijn niet zelfvoorzienend, nooit geweest ook. Dus wat ze zelf produceren op het land en verzamelen en jagen in bos en rivier, moet geregeld worden aangevuld van buitenaf. Dat is duur en daar merken ze de ineenstorting van de Surinaamse economie net zo pijnlijk als de verpauperende stadsbevolking. Sommigen gingen altijd al tijdelijk werken in Frans-Guyana of in de bauxietindustrie, maar nu is dat harder nodig dan ooit. Vooral de Franse valuta die je in het buurland kunt verdienen, is broodnodig. Dit ontwricht de vreedzame dorpsstructuur. Veel jongeren trekken weg. Ze leiden een arm bestaan in de stad, waar ze zwaar worden gediscrimineerd. Komen ze terug in het bos, dan brengen ze hun disco en hasj mee. En messen, zei ons de granman, het hoofd van de dorpsgemeenschap van de Saramaccaners, die zich daarover heel bezorgd toonde. Wat hem, een wijze, hoog opgeleide man, het meest verontrust, zijn de gezondheidszorg en het onderwijs. Sinds de onafhankelijkheid is er veel kader vertrokken. Dat wreekt zich altijd het eerst in het binnenland. Verder ontbreken de gelden om de leermiddelen te vervangen, geneesmiddelen aan te schaffen en onderhoud te plegen aan de gebouwen.
Bovendien heeft de binnenlandse oorlog veel infrastructuur kapotgemaakt. Het regionale ziekenhuisje, dat twintig jaar geleden goed functioneerde, is nu een roestige ruïne, leeg, stuk. De school ziet er armetierig uit. Hier wil geen onderwijzer heen, want alleen in de stad is het mogelijk de noodzakelijke bijbaantjes te regelen. Van een onderwijssalaris kan niemand rondkomen, laat staan een gezin.
Suriname was altijd een land met grote faam op het gebied van onderwijs, wetenschap en met name gezondheiszorg. Misschien valt daarvan nog wat te redden, als het land weer uit de malaise komt en de krachten in de diaspora kunnen terugkeren naar huis. Maar zelfs als dat optimistische scenario binnen afzienbare tijd werkelijheid zou worden, zal blijken dat er al zeker één generatie niet alleen materieel, maar ook geestelijk verpauperd is. Dat besef is ronduit verschrikkelijk.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.