*

 
dossier

Archief

TURK EN TURKIJENAAR

EILDERT MULDER − 14/01/98, 00:00

TONYA - “Panta rei oeden menei, alles stroomt, niets staat stil”. De uitspraak verbeteren ze, maar de hard lachende inwoners van deze vallei in het uiterste noord-oosten van Turkije verstaan de spreuk van de antieke Jonische natuurfilosoof Heraclitos wel. En ze weten ook van wie hij is. Sterker nog, ze beschouwen zich als afstammelingen van de oude Joniërs, die hier duizenden jaren geleden een kolonie hebben gesticht. Dat ze tegenwoordig moslims zijn en geen Simitis of Papandreoe heten maar Turkse namen dragen doet daaraan niets af. En ook niet dat ze hun sterke drank raki noemen, in plaats van oezo. Hun graven zien er weer Europees uit.

Niets willen ze weten van theorieën van geleerden, als zouden zij geen Grieken zijn, maar afstammelingen van moslims uit de Kaukasus, die hierheen zijn geëmigreerd en de taal hebben overgenomen van de Grieken die toen nog in dit deel van Turkije de toon aangaven. “Wij zijn Grieken”, zegt een ambtenaar beslist. “We hebben onze godsdienst veranderd. Niet onze taal. En we zijn natuurlijk in de eerste plaats Turken.” Dat laatste is een verstandige toevoeging in een land waar je snel de verdenking op je laadt dat je een separatist bent, met de dreiging van even humorloze als onbarmhartige wetsartikelen die dat afstraffen.

Het is met deze Grieken als met alle minderheden in Turkije, hun taal spreken ze wel maar schrijven kunnen ze hem niet. In Griekenland zijn de meesten nooit geweest. Het bergstadje Tonya, op zo'n dertig kilometer afstand van de kuststad Trabzon (Trepizonde) wijkt op het oog niet af van welk klein Turks stadje dan ook. Met het onvermijdelijke, veel te grote politiebureau en andere lelijke bestuursgebouwen en kantoren van politieke partijen, ook de Turks-nationalistische MHP. Een moskee lijkt op een Grieks-orthodoxe kerk, maar dat zegt niets, want zo zien veel moskeeën in Turkije eruit.

In het stadje hoor je op straat toch wel veel Turks, misschien vanwege import-ambtenaren, misschien ook omdat mensen schuw zijn om in het openbaar een andere taal dan Turks te spreken. Want sinds de jaren twintig heerst daarop een taboe, in theorie kon je er zelfs een boete voor krijgen, al maakte de agent die die oplegde zich wel belachelijk.

Vrijmoediger zijn de mensen in de gehuchten verderop. Je moet niet Tónya zeggen maar Toníeja, verbetert een jongeman in een minibusje. Langzaam komt weggezonken gymnasiumkennis naar boven. En-dwa-tres, een-twee-drie, zo begint les 1. Kalimèra en kalispèra, goedemorgen en goede avond, volgen. Er zijn hier ruïnes met Griekse opschriften uit de tijd van Alexander de Grote, zegt hij. Hij wijst naar de resten van een boogbruggetje over een beek. “Dit is Pontos, wel eens van gehoord?”

Onlangs hadden Turkse politici, oud-premier Çiller voorop, het over pogingen het oude Griekse Pontosrijk te herstellen. Byzantijnse keizers stichtten dat rijk, nadat de Europese kruisvaarders hen uit Constantinopel (Istanbul) hadden verdreven. De Turken onderwierpen, kort nadat ze Constantinopel hadden ingenomen (1453), ook Pontos. Tot woede van Turks-nationalistische politici organiseerden geleerden enige maanden geleden een symposium over Pontos, waar ook de Griekse patriarch van Istanbul aanwezig was. Sommigen legden stoutmoedig een verband tussen dat symposium en de paar bommen die er later in het kustgebied ontploften.

Tot de jaren twintig vormden de Grieken in het noord-oosten van Turkije, in de buurt van Trabzon, een zeer belangrijke bevolkingsgroep. Na de oorlog tussen Griekenland en Turkije moesten alle orthodoxe Grieken vertrekken.

Hun nazaten wonen in Griekenland, en houden daar verenigingen in stand, een beetje zoals de Sudeten-Duitsers in Duitsland. Maar de Griekse cultuur is niet spoorloos verdwenen uit het Zwarte Zeegebied. Evenmin als de herinnering aan het Pontosrijk. Precieze aantallen zijn er niet, maar het aantal moslim-Grieken loopt toch wel in de vele tienduizenden.

De moslim-Grieken (Rumca) wonen meestal in berggehuchten, net als Tonya enige tientallen kilometers van de kust. De inwoners van Tonya spreken niet alleen Grieks, ze zwijgen ook vaak in die taal. Vele families praten niet met elkaar. Dat heeft te maken met de oorlog. Als ze het hier over 'de oorlog' hebben bedoelen ze niet een wereldoorlog, het paard van Troje of de strijd tussen Griekenland en Turkije in de jaren twintig, maar de bloedvetes die zo'n vijftien jaar geleden de vallei teisterden.

“Nee”, zegt een Turkse inwoonster, “het had niets te maken met de politieke beroeringen uit die tijd, maar met het schaken van meisjes”. Aan de maagdenroven en bloedvetes kwam na langdurige bemiddeling een einde, maar de verzoening bleef steken aan de oppervlakte. Vandaar dat zwijgen.

Toch gelden de moslim-Grieken van Tonya als modern. Het gebied is welvarender dan de kust, waar de Turken wonen. Vrouwen kunnen alleen op straat lopen zonder het mikpunt van roddel te worden. En ja, ze voelen zich een graadje beter dan hun Turkse landgenoten. “Zonder die lui in Ankara zouden wij allang in de EU zitten”, bromt een boer. Maar het blijft bij gemopper, enige vorm van organisatie neemt de onvrede niet aan. 'Pontos' zal daardoor wel blijven wat het nu is, een prachtig wandelgebied in een stukje Griekenland aan de Zwarte Zee.

mailIcon print |