Toen ik voor mijn toelatingsexamen tot het goddeloos gymnasium was geslaagd mocht ik met mijn vader mee naar het klooster van Chevetogne in de Belgische Ardennen. Afgezien van hun gewone besognes, zoals landarbeid, gebed en overweging, bekwaamden de Benedictijnen van Chevetogne zich in de dialoog met de oosterse kerken, de Griekse en de Russische, en dat doen zij vandaag nog.
In theologie en liturgie zoeken zij naar de eigenheid en de overeenstemming tussen de twee partijen van het 'grote schisma' dat 1000 jaar geleden de christenheid verscheurde. Daartoe corresponderen en publiceren zij, onderhouden een eigen tijdschrift, en celebreren naar de oosterse rite in een zelfgebouwde orthodoxe kerk, met koepel, iconen en al. Toen ik er met mijn vader in 1959 een weekje kwam logeren, legde een Griekse schilder net de laatste hand aan de muurschilderingen in het witte kerkje dat naast het klooster van rode baksteen was opgetrokken.
Mijn vader had daar wat te schrijven en te bepraten met oude kennissen uit de katholieke uitgeverswereld. Op de drempel van de puberteit verkeerde ik in dubio of ik nou meer geneigd tot geestelijke bespiegeling was of tot natuuronderzoek. Een klooster in de Ardennen leek mijn vader een uitgelezen plaats om daar achter te komen. De kluizenaar-bioloog in spe zou kamperen op het kloosterterrein, terwijl mijn vader in het gastenverblijf sliep. Maar 's nachts knabbelden de koeien aan mijn tent, en hun schaduwen en luidruchtige spijsvertering joegen mij zo'n vrees aan dat ik mijn toevlucht weer in het klooster zocht. Père Théodore, een Rotterdammer met een grote baard, lachte mij de rest van de week uit: 'een Hollander, bang voor koeien!'
Er waren bezienswaardigheden genoeg om mijn gekneusde ego af te leiden. Als de paar gasten samen met de Benedictijnen de maaltijd gebruikten, wachtte ons de prior op voor de deur. Thomas à Becket was een gebogen reus, met een schedel die even hard glansde als de ivoren knop van de stok waar hij op leunde. Voor we de refter betraden schudde hij ons de hand of zegende ons, al naar gelang. Na dat welkom liepen we tussen de tafels aan weerskanten waarachter de monniken stonden door de lange zaal. Wij wachtten achter onze stoel, tot de prior ten slotte binnen was en zich aan het hoofd van de tafel had gezet. Mijn vader fluisterde dat hij een nazaat van de grote Thomas Beckett (1118-1170) was, de Engelse martelaar, en dat hij net als zijn voorvader voor niks of niemand bang was. Dat was het laatste woord dat aan tafel gesproken werd, want de maaltijd werd zwijgend genoten. Alleen beklom een monnik die kennelijk al gegeten had, een klein spreekgestoelte en begon in het Frans een lezing uit de Schrift. Later beweerde mijn vader dat de Benedictijnen er een slag van hadden de pikante passages voor te dragen, maar jammer genoeg was mijn Frans ontoereikend.
Een paar jaar later keerde ik naar Chevetogne terug in het gezelschap van twee klasgenoten, die ik zo gek had gekregen met verhalen over wilde zwijnen en edelherten in de Ardennen. Ik had toen definitief voor de benedennatuur gekozen. Van de beesten had ik alleen de koppen in Belgische gelagkamers zien hangen, maar mijn makkers wilden best geloven dat je slechts een eindje het woud in hoefde te dringen of het wild vloog je om de oren. Het klooster verleende ook de jonge natuurvorsers vriendelijk gastvrijheid. Toen we op een natte oktobermorgen in het bos dwaalden, hoorden we de bel voor het middagmaal. Vanwege de sterke verhalen die ik ook daarover had opgedist, wilde mijn vrienden dat niet missen. Dus holden we door veld en beemd, en struikelden onderweg in de beekjes en watertjes die overal uit de Ardense heuvels lekken. Zo kwam het dat we even later onder het grijnzend oog van twintig Benedictijnen ter linker- en ter rechterzijde, een spoor van slijk en water achterlieten terwijl we naar de gastentafel liepen, recht op de vervaarlijke Becket af die presideerde. Voor de tweede maal had ik mij zelf voor gek gezet in Chevetogne.
Wie vandaag balsem voor zijn ziel zoekt, of wil weten of de roeping die hij voelt authentiek is, hoeft niet meer op zijn vaders kompas te varen. Hij kan terecht bij de Guide des lieux de silence van Joachim Bouflet. Sinds de vorige zomer zijn er 12 000 exemplaren van dit boek verkocht. De vraag naar 'stilteplekken' is groot. Zo groot, schrijft het voorwoord van de gids, dat sommige kloosters van vermelding hebben afgezien, omdat zij de stroom van gasten niet kunnen verwerken. Toch staan ruim tweehonderd adressen de religieuze toerist ter beschikking. Daaronder zijn hoogtepunten uit de romaanse en gothische kunstgeschiedenis zoals Conques en Mont Saint-Michel, communiteiten die door hun Gregoriaanse gezangen of stichtingsgeschiedenis opvallen zoals de Benedictijnerabdij Solesmes en de Trappisten van la Trappe; of kloosters die in een adembenemende natuur liggen zoals Saint-Michel de Cuxa in de Pyreneeen. De protestantse origine van het oecumenische Taizé in Bourgondië wordt overigens door de zeer roomse auteur slinks verdoezeld.
Maar veel adressen hebben alleen een plaatselijke faam, en behoren tot die wereld van stilte waar de stedeling naar snakt: 'Een paar dagen, hoogstens een week, in een simpel comfort, eten van een sobere tafel. Het is mogelijk enig handwerk te verrichten ten dienste van de bijenteelt, de vervaardiging van biologisch brood, of de moestuin. Het bijwonen van de officies is niet verplicht, het bewaren van de stilte wel. Geestelijke raad van een der monniken is voorhanden. Bijdrage naar draagkracht. Graag even faxen of schrijven voor u komt. . .'
Bewondering en verwondering strijden om de voorrang: nog zijn er mannen en vrouwen die een levenswijze voeren die al in Benedictus' eeuw een offer was. Een leven waarvan de maatschappelijke zinvolheid niet duidelijk is, maar dat in ieder geval niet aan eer- en hebzucht opgaat. Een bestaan dat een herinnering levendig houdt aan een heroische broederschap van mensen, die tegelijkertijd ook een nederige kudde vormde. Maar wat moet dat dan: 'de Gemeenschap van de Nieuwe Weg biedt u ontvangsten, tentoonstellingen en bezoeken. Son et Lumière à l'Abbaye. Bij het verlaten van Saintes neemt u de D 728 of de N 150. Heel schilderachtig'? Zijn deze wegen niet te nieuw, te toegankelijk, te pittoresk ? Hoe kunnen die monniken ons nog voor gek zetten, als zij onze wensen zó voorkomen? Toch zegt Frère Cyprien tegen Le Monde (13 juli jl.) die langskwam om eens te horen: 'Er blijft een drempel. Sommige gasten nemen na twee dagen de benen. Je zelf onder ogen zien is niet altijd even mooi.'
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.