*

 
dossier

Archief

AUTONOME SCHOLEN

MARJAN AGERBEEK − 04/12/96, 00:00

Nu de scholen zelfstandiger worden klinkt de roep om steviger controle door de onderwijsinspectie. Kunnen de inspecteurs daaraan voldoen? De inspectie zocht de schoolbezoeken uit en Trouw mocht mee. Deel 3: het (middelbaar) beroepsonderwijs.

Ze zitten er afwachtend bij, de drie leden van het college van bestuur van het Regionaal Onderwijs Centrum (ROC) Leiden en omstreken. De inspecteur komt de hele ochtend op bezoek. Voor het eerst, het ROC bestaat pas een paar maanden. De bestuurders zijn benieuwd naar de nieuwe rol van de inspecteur, nu de laatste fusieoperatie achter de rug is.

Inspecteur M.I. Visser kent de bestuursleden wel persoonlijk, maar niet in de hoedanigheid van collegelid. Ze komen van de instellingen die in het ROC zijn opgegaan. Daar heeft Visser ze eerder ontmoet.

Het nieuwbakken college laat zien dat het leiding geeft aan een machtig bolwerk van acht instellingen. De inspecteur moet eerst maar eens antwoord geven op hun vragen, voordat het college haar vragen beantwoordt, zo blijkt enkele minuten nadat het gesprek begonnen is. En het moet duidelijk zijn dat het college prijs stelt op behoud van de zojuist verworven autonomie. “Wat is eigenlijk de rol van de inspectie?”, vraagt een van hen nadat hij het lijstje gespreksonderwerpen van Visser heeft bestudeerd. “Zijn de onderwerpen afhankelijk van de persoonlijke interesse van de inspecteur?”

Visser legt uit dat dit een oriënterend gesprek is waarvoor geen gestandaardiseerde agenda's bestaan. Dus ja, dat ze de agenda zelf heeft ingevuld. Dat ze graag wil weten hoe het op het ROC gaat nu de relatieve rust is teruggekeerd omdat de fusie is voltooid. En dat ze wat meer over de beleidsprioriteiten van het college wil weten. Die staan deels in allerlei stukken, zoals de fusieovereenkomst, maar die heeft ze niet gekregen.

Het college maakt duidelijk dat het geen pas geeft als Visser op de diverse instellingen van het ROC gaat praten zonder dat het college dat weet. Visser gaat daar onmiddellijk in mee. “Ik zou het op prijs stellen als we daarover tot afspraken kunnen komen.” Die afspraken worden dezelfde ochtend nog gemaakt en luiden dat alle post voor de afzonderlijke instellingen ook naar het college van bestuur gezonden wordt. Of het nu om aanmeldingen voor een bezoek gaat of om verslagen van controles.

In de loop van het tweeënhalf uur durende gesprek nemen de collegeleden regelmatig ruimte om het overheidsbeleid te bekritiseren. De inspectie moet aan de minister rapporteren over de 'staat van het onderwijs', dus een inspecteur is een goed adres voor post aan de minister. Die moet weten dat het geldgebrek op de ROC's geen kwestie is van mismanagement, ook al bleek dat laatst uit twee onderzoeken. De overheid is gewoon te krenterig. “En dan wel geld uittrekken voor kleine klassen op de basisschool”, klaagt een collegelid.

Volgens de inspectie ligt er een waterscheiding tussen het basis- en voortgezet onderwijs enerzijds en de rest van de onderwijssectoren anderzijds. In het basis- en voortgezet onderwijs beoordeelt de inspecteur of de kwaliteit van het onderwijs op een school in orde is. In het beroeps- en het hoger onderwijs doen de scholen dat in hoge mate zelf. De rol van de inspecteur is daar dus anders.

Voor het beroepsonderwijs en de volwasseneducatie (BVE), het werkveld van inspecteur Visser, is de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs sinds 1 januari vastgelegd in de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB). De scholen, die kunnen variëren van dag/avondonderwijs, leerlingwezen tot (kort) middelbaar beroepsonderwijs, zijn nog volop bezig uitvoering te geven aan de nieuwe regels. Het maakt het werk van onderwijsinspecteurs in de BVE-sector boeiend, maar niet gemakkelijk, vindt Visser. “Het ene moment zit je op een oude MTS, het volgende moment op een nieuwe ROC.”

De ROC's moeten een systeem opzetten om de kwaliteit van hun onderwijs te bewaken. Dat betekent dat scholen op den duur een deel van het werk van de inspecteur overnemen. De scholen mogen zelf weten welk systeem ze kiezen, maar ze moeten bij de beoordeling van het onderwijs wel deskundigen van buiten de school betrekken. Het hoeft echter geen circus van visitatiecommissies te worden, zoals het hoger onderwijs dat kent. Daar trekken onafhankelijke commissies alle opleidingen langs om vervolgens een kwaliteitsoordeel uit te spreken.

Volgend jaar mei moet elk ROC zo'n kwaliteitszorgsysteem hebben. De inspecteurs moeten dat beoordelen. De wet schrijft alleen voor dat er een systeem moet zijn, de inspectie stelt landelijke criteria op waaraan een goed systeem, een goed kwaliteitsverslag, moet voldoen. Dat is een heel werk omdat er zoveel in de wetgeving veranderd is. Vroeger lagen allerlei kwaliteitsaspecten vastgelegd in de wet. Nu moet de inspectie zelf goede criteria voor kwaliteitsbeoordeling bedenken. En die mogen niet te dwingend zijn, want scholen moeten ook de in de wet bedoelde vrijheid krijgen voor de inrichting van het onderwijs. De inspectie BVE is dus evenmin 'klaar' met de invoering van de WEB als de scholen dat zijn.

Met de nieuwe wet heeft een inspecteur minder mogelijkheden gekregen om de minister om sancties te vragen als een school slecht functioneert. Want ook in de BVE-sector kan de inspecteur alleen een machtswoord spreken als dat in de wet is vastgelegd. “De basis voor controle is in dit veld dunner dan in het voortgezet onderwijs”, zo legt J.C. van Bruggen, hoofdinspecteur beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, het uit. “De inspecteurs moeten meer uitgaan van hun gezond verstand.”

Waar de inspectie wel greep op heeft, is de kwaliteit van de eindexamens. Dat was al zo, en dat blijft. In de BVE sector bestaan geen landelijke examens zoals in het voortgezet onderwijs. De scholen maken die examens zelf. Er is vastgelegd aan welke eindtermen elke opleiding moet voldoen. Die eindtermen worden overigens door de brancheorganisaties opgesteld, zeg maar het beroepenveld waarvoor de sector opleidt. Een opleiding elektrotechniek die niet aan de eindtermen voldoet, leidt monteurs op die volgens het werkveld tekortschieten. Enkele jaren geleden constateerde de inspectie dat de opleidingen voor middelbaar dienstverlenend en gezondsheidszorg onderwijs (MDGO) in dit opzicht onder de maat waren.

De inspecteurs controleren tentamens en schoolonderzoeken om te zien of die op de eindtermen aansluiten. Lesbezoek is niet meer nodig, hoewel inspecteurs nog best eens in klassen zullen kijken. De controle op de rest van het onderwijsproces is de verantwoordelijkheid van de scholen geworden. Over een onderwerp als lesuitval bijvoorbeeld heeft de inspecteur niet veel meer te zeggen. De WEB laat vrij hoeveel lessen gegeven moeten worden. Wel blijft, in verband met de studiefinanciering, de controle of de lessen die een school beweert te geven, echt worden gegeven. Maar scholen kunnen wel straffeloos het rooster inkrimpen om geld te sparen. Twee jaar geleden gebeurde dat vaak en sprak de inspectie er nog schande van. Toen bestond er nog een minimum aantal voorgeschreven uren. In het Onderwijsverslag van dit jaar schrijft de inspectie dat het onderwijscontract, dat scholen vanaf komend studiejaar met leerlingen moeten afsluiten, wellicht een prikkel is voor scholen een minimum aantal lessen te bieden. Ook de Belangen Organisatie MBO (BOM), die onlangs door MBO-studenten is opgericht, verwacht veel van het onderwijscontract.

Als een school zich niet aan het onderwijscontract houdt, kan de inspectie niets doen, zegt hoofdinspecteur Van Bruggen. De inspectie moet zich beperken tot het controleren of het onderwijscontract aan de wet voldoet. Een leerling die vindt dat een school het contract niet nakomt, moet naar de rechter. Zelfs het doorlopen van een klachtenprocedure binnen de schoolmuren is niet mogelijk, zoals dat in basis- en voortgezet onderwijs wel het geval is. In de BVE-sector is een klachtenregeling nog niet wettelijk verplicht.

mailIcon print |