*

 
dossier

Archief

Waarom Christus niet is komen te overlijden

PETER-ARNO COPPEN − 10/04/96, 00:00

In televisieprogramma's over de natuur wordt vaak hoog opgegeven van de zintuiglijke vermogens van dieren. Zo zou een arend vanaf duizelingwekkende hoogte een op de grond liggend dubbeltje van een kwartje kunnen onderscheiden en zouden vlinders geuren op kilometers afstand al waarnemen.

Bij al die indrukwekkende capaciteiten lijkt het menselijke taalvermogen maar heel gewoon. Nadere beschouwing leert echter dat dit nog veel sterkere staaltjes bevat. Vergelijkt u bijvoorbeeld eens de zin zij kwam naast mij zitten met zij kwam naast mij te zitten. Deze twee zinnen verschillen enkel in het onbeduidende woordje te. Toch zal iedere Nederlander hier een heel duidelijk betekenisverschil voelen. In de eerste zin is sprake van een vrouw (zij) die een bewuste handeling verricht. Ze komt naar me toe en neemt plaats. In de tweede zin daarentegen is een verwijzing naar die bewuste handeling afwezig. De zin gaat meer over iets wat mij overkomt: door een of andere oorzaak zit er opeens een vrouw naast me.

Hoe is het mogelijk dat zo'n minuscuul verschil tussen twee zinnen zo'n grote betekenisreflex tot gevolg heeft? Zit dat allemaal in dat woordje te? Hoe kan een betekenisloos woordje toch gevolgen voor de betekenis hebben? Het antwoord is natuurlijk gelegen in de onderliggende structuur van de zin. Het woordje te is blijkbaar alles wat we nodig hebben om een radicaal andere structuur onder de zin waar te nemen.

Dat kan als volgt beredeneerd worden. Het werkwoord komen kan in het Nederlands aan een ander werkwoord toegevoegd worden. In dat geval krijgt zo'n werkwoord geen te en het werkwoord komen voegt twee betekeniskenmerken toe: ten eerste is er sprake van een beweging naar iemand toe, en ten tweede van een ophanden zijnde gebeurtenis. Vergelijk hij logeert bij mij met hij komt bij mij logeren. Komen is hier een hulpwerkwoord.

Door nu te aan het werkwoord toe te voegen worden hulpwerkwoorden geblokkeerd. Dat betekent dat komen zelfstandig begrepen wordt. Er is dan wel nog sprake van een ophanden zijnde gebeurtenis, maar niet meer van beweging (die plant komt droog te staan). We zouden de betekenis losweg kunnen verwoorden als “het komt te gebeuren dat die plant droog staat.”

In de generatieve grammatica wordt ongeveer die parafrase als de onderliggende structuur aangenomen. Deze wordt dan iets als: het komt die plant droog te staan. Het werkwoord komen heeft hier een beknopte bijzin die plant droog te staan als lijdend voorwerp en het woordje het als onderwerp. Het interessante is, dat het woordje het gezien kan worden als de 'een of andere oorzaak' uit de betekenis. We zien datzelfde ook in het regent en het schijnt dat Jan ziek is. In deze zinnen veroorzaakt een of andere natuurlijke oorzaak regen of de schijn van Jans ziekte.

De onderliggende structuur lijkt misschien onwaarschijnlijk, maar kan toch eenvoudig tot de werkelijke zin herleid worden. We beginnen met het komt die plant droog te staan. In een beknopte bijzin in het Nederlands is geen plaats voor een onderwerp (die plant). Dat moet dus eigenlijk weg, maar het kan ook verplaatst worden naar de positie van het. We kunnen dan het weglaten. Het resultaat is die plant komt ... droog te staan. De onderliggende structuur, inclusief het, is nu afleidbaar uit het woordje te.

Waarom is Christus nou niet komen te overlijden? Wel, deze constructie impliceert het woordje het, dat een natuurlijke oorzaak aanduidt. Het paasverhaal leert ons dat de vork anders in de steel zat.

mailIcon print |