Het was een typerend tafereel na afloop van de olympische kwalificatiewedstrijden in Den Haag, drie maanden geleden. Een groepje bezeten shorttrackers met een stralende coach Wilf O'Reilly zat na te praten met journalisten, toen Dave Versteeg vroeg wat die er van vonden. En of de dames en heren nog nadere uitleg over de sport behoefden.
Shorttrack is zo'n typische speerpuntsport in een olympisch seizoen. De spaarzame verhalen die in het nabije verleden over het 'duw-, trek- en ellebogenwerk' werden geschreven, stonden zelden bol van het positivisme. Eerst ging het over de ruzies tussen de families Velzeboer en Ossendrijver, vervolgens laaiden conflicten tussen bepaalde schaatsers en trainers op, en vier jaar geleden, op de Spelen van Lillehammer, was er het 'fenomeen' Erik Duyvelshoff. Een goed gebekte opbouwer van marktkramen op de Amsterdamse Albert Cuyp, die zich liet ontvallen dat hij misschien overal op de wereld wel iets te zoeken had, behalve op een ijsbaan. “Ik ben helemaal niet gek van sport”, verbaasde hij zijn toehoorders. “Het valt me iedere keer weer rauw op het dak als ik gebeld word met de mededeling dat de training van de kernploeg weer begint.”
Duyvelshoff bakte er in Hamar weinig van, dat zal duidelijk zijn. De shorttrackers waren de risée van de vaderlandse olympische delegatie. Met het kunstrijden was dit onderdeel van de schaatssport trouwens ook het lelijke eendje in de beleidsplannen van de KNSB. Faciliteiten? Vergeet het maar. De bond vergat kort voor de Winterspelen van 1994 trainingsruimte te huren, zodat de shorttrackers zich ver van Hamar (in Zweden nota bene) moesten voorbereiden. De toenmalige coach Gijs Rijneveld was zo'n liefdewerk-oud papiertrainer. Wilde de timmerman uit Mijdrecht er iets van maken, dan moest hij maar vrije dagen opnemen.
Aanvankelijk was er scepsis, toen KNSB-voorzitter Wim Schenk in september aankondigde dat de Nederlandse shorttracktop in het internationale krachtenveld de plaats moet innemen die het lange baanschaaten op dat gremium ook bezet. De wereldtop dus. Des te verrassender was het dat bondscoach Wilf O'Reilly ook daadwerkelijk meer faciliteiten en een groter budget kreeg toebedeeld. De realiteit van deze maand: met Versteeg, Anke Jannie Landman en Ellen Wiegers mag de Engelsman in Nagano zelfs een lichte medaillehoop koesteren. De shorttrackers zijn fanatiek met topsport bezig. En willen hun sport op positieve wijze uitdragen. Vandaar de door Versteeg geëntameerde wending in de nababbel, op die zondagmiddag in november in Den Haag.
O'Reilly straalt. Zijn selectie kon de hele zomer in Zoetermeer trainen. Voorheen moesten ze in het buitenland stad en land afreizen om in de incourante maanden nog een beetje ijs te vinden. “Het is belangrijk een basis te hebben waar je je thuisvoelt”, vertelt hij. “We beschikken nu permanent over goed ijs, hebben vaste kleedkamers, een trainingshoek en een eigen ruimte waar we krachttraining kunnen doen. Ik moet me af en toe in de wangen knijpen om te beseffen dat ik niet droom.”
O'Reilly nam zestien keer deel aan wereldkampioenschappen, kwam in zijn grote jaren beladen met gouden medailles thuis en is sinds zijn relatie met Monique Velzeboer een 'halve' Nederlander. Maar het was niet om die reden dat hij in dit land zijn carrière als trainer wilde starten. “Nederland is een schaatsland. Als bondscoach moet je daar beginnen, vind ik. Want een schaatsland is altijd een voorloper. Kijk maar naar de klapschaats (die ook door shorttrackers wordt gebruikt - red). De hele wereld loopt nu achter Nederland aan.” Hij kent de geschiedenis van de jonge sport - in 1981 werd het eerste WK georganiseerd, op de Winterspelen van Calgary ('88) was het een demonstratiesport, sinds '92 staat het 'echt' op de olympische kalender - en weet dus dat de wet van de remmende voorsprong zonder mededogen zijn werk deed in het schaatsland. “Nederland deed het goed omdat het een van de weinige landen was waar het schaatsen werd gesponsord. Toen ik als shorttracker begon, was het voor mij vanzelfsprekend dat Nederlanders goed presteerden. Wanneer een bond met zo'n structuur en zulke sponsors er niet in slaagt zijn talentvolle sporters naar de top te brengen, lukt het nergens. De andere landen werden beter omdat zij ook op die manier gingen werken.”
De mentaliteit in zijn nieuwe vaderland schoot tekort om te blijven gloriëren. Er was ook geen beleidsplan, maar wel een overvolle selectie met veel te veel ongemotiveerde schaatsers. Wilf O'Reilly moest zodoende op het nulpunt beginnen. “Ik heb de kernploeg drastisch ingekrompen. Ik wilde niet meer schaatsers hebben dan ik nodig heb voor de relays. Met een kleine groep wordt het een erezaak tot de kernploeg te mogen behoren. Het betekent iets. Het heeft het aureool indrukwekkend te zijn. Het stimuleert om goede prestaties neer te zetten. Wanneer je als nieuw kernploeglid in dat mooie Aegonpakje rijdt, ben je verplicht hard te schaatsen. Maar je moet ook kritisch naar jezelf durven kijken. Wanneer je in de kernploeg zit, moet je verantwoording aan jezelf afleggen. Je moet kijken wat je pr vijf jaar geleden was en wat het voor jouw gevoel over drie jaar moet zijn. Je doet er alles aan of niets. In het laatste geval heb je bij mij niets te zoeken.”
Om hardheid te kweken, bootst O'Reilly wedstrijdsituaties na, analyseert hij tot in den treure video's, haalt mentale trainers over de vloer, en wil niet dat zijn pupillen zich laten wegdrukken; zowel letterlijk als figuurlijk. “Het is een beetje de cultuur in Nederland je weg te laten duwen. Vandaar dat ik er alles aan doe om mijn kernploegschaatsers honger te laten krijgen om te vechten.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.