Josine Junger-Tas zorgde voor flink wat opwinding door in haar onderzoeksrapport te pleiten voor opvoedcursussen voor 'kwetsbare risicogroepen'. Dat was immers 'stigmatisering' en een verkapte 'staatsopvoeding'. Ze heeft de vervolgopdracht van Justitie inmiddels op zak en gaat onverdroten verder: “Omdat te laat ingrijpen voor zowel de gezinnen als voor de overheid zeer hoge kosten met zich meebrengt.”
De trotse oma is de gerenommeerde criminologe dr. Josine Junger-Tas. Sinds twee jaar met emeritaat, maar nog altijd verbonden aan de universiteiten van Leiden en het Zwitserse Lausanne. “Ik ben zeer voor een flexibel pensioen.”
Junger-Tas komt niet los van haar specialiteit: jeugdcriminaliteit. Gretig ging ze dan ook in op het verzoek van het ministerie van justitie om zich te verdiepen in de mogelijkheden van een vroegtijdig preventiebeleid. Dat het ministerie zich tot haar wendde, was geen verrassing. Twintig jaar heeft Junger-Tas op het departement gewerkt, de laatste vijf jaar als hoofd van het WODC, de onderzoeksafdeling van Justitie.
“Al ga je met pensioen, de bezorgdheid over de criminaliteit onder jeugdigen draag je met je mee. En de gedrevenheid om naar oplossingen te blijven zoeken ook. Ik kom zelf uit een socialistisch gezin. Van mijn ouders heb ik die belangstelling voor sociale problemen meegekregen. Daarom ben ik destijds ook sociologie gaan studeren. Bij toeval - ik kreeg een baan in het studiecentrum voor jeugddelinquentie - ben ik in de criminologie terechtgekomen.”
“Ik geloof erg in de maakbaarheid van de samenleving. Dat idee dat je iets kunt doen, iets kunt bijdragen om die samenleving meer leefbaar te maken, dat houdt me gaande. Het lijkt nu of de markt soms dicteert hoe onze samenleving wordt ingericht. Dat is mij een gruwel. Hier en daar is de tweedeling in de maatschappij al zo zichtbaar. We moeten met elkaar toch in staat zijn om een vergaande tweedeling zoals bijvoorbeeld in Engeland tegen te gaan. Het kabinet is zich daar wel van bewust, merk ik. Je ziet dat aan het grote-stedenbeleid. Deze vraagstukken blijven me bezighouden. Daarom vond ik de opdracht van Justitie ook zo leuk.”
Die opdracht resulteerde in het inmiddels veelbesproken rapport van haar hand 'Jeugd en Gezin - preventie vanuit een justitieel perspectief'. Daarin pleit Junger-Tas voor oudertrainingen, ofwel opvoedcursussen voor 'kwetsbare risicogroepen' in de samenleving. Zoals gezinnen die al in contact zijn geweest met de kinderbescherming. Of jonge tienermoeders, die niet alleen behoefte hebben aan steun voor en na de bevalling, maar ook als het gaat om de verzorging en opvoeding van hun baby, zo blijkt volgens de criminologe uit eerdere studies. Tot de kwetsbare risicogroep behoren ook jonge allochtone ouders in de zogenoemde achterstandswijken. Daarover schrijft zij in haar rapport:
“Steeds weer blijken de kinderen van deze ouders al een grote leerachterstand en gebrek aan sociale competentie te hebben als zij naar de basisschool gaan. Dit zijn factoren die met delinquentie samenhangen. Hoe ouder de kinderen worden, des te moeilijker de problemen zijn te verhelpen.”
Ook autochtone ouders kunnen tot de kwetsbare risicogroep behoren. Namelijk die ouders, aldus Junger-Tas, “waarvan de kinderen aantoonbare gedragsproblemen hebben.”
Vanaf het moment dat minister Sorgdrager de ideeën van Junger-Tas als 'voorgenomen beleid' uitdroeg, barstten de discussies los. Kritiek kwam van het ministerie van VWS, dat gaat over jeugdwelzijn. En van pedagogen en hulpverleners uit de welzijnswereld. De woorden 'stigmatisering' en 'staatsopvoeding' waren niet van de lucht. Op de bank, thuis in Den Haag, bekeek de criminologe de discussies op televisie en las ze de artikelen in de kranten. Zittend op diezelfde bank lacht ze nu uitbundig over alle commotie.
“Vanuit het ministerie van VWS werd direct geroepen: 'Wat zij wil - opvoedingsondersteuning aan kwetsbare groepen - dat doen we allemaal al in Nederland'. Dat zal ik niet ontkennen. Er gebeurt inderdaad heel wat en met veel enthousiasme. Ik denk aan al die Opstap, Instap en Overstap-programma's om leer- en ontwikkelingsachterstanden in te halen, aan projecten om ouders te helpen bij de opvoeding. Maar het probleem met die projecten van VWS is juist dat er weinig goed wordt geëvalueerd.”
“Nederland is een ontzettend sociaal land. Kijk naar de zorg voor zwangere moeders, de controles na de geboorte en de zorg vanuit de consultatiebureaus. Dat is perfect en héél belangrijk, zo aan dat begin van een kinderleven. Daarna is er inderdaad een groot hulpverleningsaanbod. Elke gek die een leuk idee heeft, kan, als het de lokale overheid ook aanspreekt, met een project beginnen. Fantastisch hoor, maar mijn uitgangspunt is: als je de dingen niet behoorlijk evalueert, dan weet je gewoon nooit of een preventieproject goed of zinvol is. Zo krijg je nooit een cummulatie van kennis. De kennisbasis in de welzijnssector is mijns inziens te fragiel.”
“Afkeurend wordt gezegd dat ik in mijn rapport te veel verwijs naar Amerikaanse voorbeelden. Maar dat is niet voor niks. De Amerikanen doen wél langdurig onderzoek naar de effecten van preventieprojecten. Dat is the proof of the pudding. Daar kan ik naar verwijzen in mijn eigen voorstellen. Want die projecten hebben hun effect bewezen.”
Over negatieve reacties van pedagogen, onder aanvoering van prof. M. de Winter, hoogleraar ouder- en kindzorg in Utrecht, zegt ze: “Ach, die mensen zijn al zo lang bezig op hun terrein. Die zien mij daar nu aankomen en denken: Wat moet dat mens? Misschien ervaren zij het als een stukje miskenning van hun eigen werk.”
In een debat met minister Sorgdrager noemde De Winter de voorstellen van Junger-Tas 'kwetsend en beledigend'. “Het reduceert het probleem van de jeugdcriminaliteit tot het probleem van jonge, met name allochtone ouders in achterstandsbuurten, terwijl het een probleem van de hele samenleving is”, aldus De Winter. Hij betoogde dat de samenleving het 'storende, vervelende en etterende gedrag van jongeren' zelf uitlokt door hen in veel gevallen niet serieus te nemen. Zo is in het onderwijs en in het buurt- en clubhuiswerk jarenlang systematisch bezuinigd. Buurten zijn verpauperd en gemeenten spannen zich niet genoeg in om jongeren ontspanningsmogelijkheden te bieden.
Junger-Tas is het eens met de argumenten van De Winter. Die 'omgevingsfactoren' zijn zeker mede bepalend voor later crimineel gedrag. Niet voor niets stelt zij voor, juist ouders in achterstandswijken extra ondersteuning te bieden. Of jonge kinderen zich tot crimineeltjes zullen ontwikkelen, hangt, zo schrijft zij, sterk af van het sámenspel tussen die omgevingsfactoren, de gegevenheden in het kind zelf en gezinsfactoren.
Aangeboren risicofactoren in het kind zelf zijn bijvoorbeeld een sterke prikkelbaarheid, impulsiviteit, hyperactiviteit (ADHD), extraversie en een laag IQ. Deze kunnen leiden tot probleemgedrag thuis en op school en tot leerproblemen. Kinderen met deze signalen worden vaak 'moeilijk opvoedbaar' genoemd. In haar rapport stelt Junger-Tas 'met klem' dat dit soort factoren slechts een 'zwakke samenhang' met criminaliteit hebben en dat de helft van de kinderen met gedragsproblemen daar vanzelf 'uitgroeit'.
Als het gaat om de gezinsfactoren, dan maakt Junger-Tas korte metten met het steeds weer opduiken van 'het gebroken gezin' ofwel 'de alleenstaande moeder' als oorzaak van latere criminaliteit bij jongeren. In de door haar geraadpleegde onderzoeken blijkt slechts een 'zwak verband' te bestaan tussen delinquentie en samenstelling van het gezin. Aanzienlijk belangrijker blijkt de kwaliteit van het gezin.
“Veel alleenstaande moeders hebben het wel moeilijk. De kwaliteit wordt aangetast als je geen werk hebt en niet genoeg geld. Maar als er een sterke ouder staat, die een goede, affectieve band met de kinderen heeft, die ze goed in de smiezen houdt en ze disipline bijbrengt, dan is er niets aan de hand. Een twee-oudergezin waarin veel ruzie en geweld voorkomt en waarin de kinderen geen grenzen worden gesteld, levert meer risico op.”
De risico's nemen toe naarmate meer factoren tegelijk een rol spelen. En dat is het geval bij jonge (allochtone) gezinnen in achterstandswijken, concludeert Junger-Tas. “Voorspellingen voor delinquent gedrag kunnen nooit perfect zijn. Die zijn altijd gebaseerd op statistische waarschijnlijkheidsberekeningen. Je kunt dus nooit individuele kinderen of gezinnen selecteren uitsluitend op grond van hun statistisch risico op later crimineel gedrag. Dát zou arbitrair en stigmatiserend zijn. Maar ik vind dat je je voor een algemeen preventiebeleid best mag richten op groepen waarbij je met een redelijke zekerheid latere problemen kan voorspellen. Er zijn wijken in Rotterdam en Den Haag... die gaan naar de verdommenis als we niets doen. Ik zie niet in, dat het stigmatiserend zou zijn als we ons op de bewoners van die wijken richten. Er moet toch wat gebeuren in zulke buurten, dat weet iedereen.”
Niet dat de criminologe zelf zoveel in die wijken verkeert. “Mijn eigen familie is een beetje een United Nations. Maar we blijven een middenklasse familie in een nette buurt. Daar ben ik me van bewust. Mijn kennis over hoe mensen leven, werken en opvoeden in achterstandswijken komt uit de tweede hand. Zo gaat dat met onderzoek. Daar heb je op een gegeven moment mensen voor, die het voor je uitvoeren. Ik beleef het zelf niet, maar doordat ik veel onderzoeken heb gelezen, vind ik dat ik wel een goed beeld heb gekregen.”
Junger-Tas is niet vies van het uitoefenen van enige vorm van dwang. Over gezinnen waarvan de kinderen op jonge leeftijd al aantoonbare gedragsproblemen hebben, zegt ze: “Veel van deze kinderen komen in het speciaal onderwijs terecht of in de jeugdhulpverlening. Het uitoefenen van een zekere drang in een vroeg stadium is te rechtvaardigen omdat te laat ingrijpen voor zowel de gezinnen als voor de overheid zeer hoge kosten met zich meebrengt.”
Aan allochtone risicogroepen die moeite hebben het belang van deelname aan oudertrainingen in te zien, zou in bepaalde gevallen, aldus de criminologe, 'een bescheiden stimuleringspremie' voor deelname kunnen worden aangeboden. Voor velen in de welzijnswereld een heikel punt. Minister Sorgdrager voelde dat wel aan. In een bijdrage op de Podiumpagina van Trouw schreef zij in een toelichting op de proefprojecten die zij voor gezinnen in achterstandsbuurten zou willen beginnen: “Het zal duidelijk zijn dat ik bij deze doelgroep de uitoefening van elke vorm van dwang nadrukkelijk afwijs. Voor een dergelijke dwang bestaat immers geen juridische grond en deze is, als er zich geen problemen voordoen, ook ethisch niet aanvaardbaar.”
Junger-Tas haalt er de schouders over op. Zuchtend: “Dat heb je in die hulpverlening, hè. Alles móet vrijwillig. Je mag niets opleggen. Dat is ook mijn kritiek op de op zich aardige projecten van VWS. Ze bereiken alleen de ouders die graag willen. Ik buig me juist over de vraag hoe je de medewerking van de grote groep verkrijgt. Er wordt raar aangekeken tegen zo'n stimuleringspremie. Ach, so what? In Amerika zijn er projecten waarbij jongvolwassenen een prestatiebeloning kregen voor deelname. Werkte heel goed, hoor.”
Voor de inmiddels verkregen vervolgopdracht van Justitie gaat Junger-Tas dit jaar tal van opvoedingsondersteuningsprojecten in binnen- en buitenland afreizen om de methodieken die her en der worden gebruikt te bestuderen. “Zo is er bijvoorbeeld een aardig project in Amerika: Communities that care. Er is gezocht naar samenwerking met de lokale leiders in bepaalde wijken. Met die 'eigen' mensen, is het eenvoudiger om bewoners voor deelname aan een project te winnen.”
“Ach weet je, er is hier ook een bepaalde vrees voor het feit dat Jusititie zich met dit soort dingen inlaat. Men is huiverig voor de relatie die wordt gelegd tussen criminaliteit en opvoeding. De oudertrainingen die ik voorstel, zouden dan ook niet met het stempel van Justitie moeten worden gegeven. Dat schrikt af. Het moet een samenwerking zijn tussen VWS (de kinderen komen anders in de hulpverlening terecht of de gezondheidszorg, veel van de risicojongeren hebben een grotere kans op psychische ziekten, ongevallen, alcohol- of drugsgebruik), Onderwijs (kinderen die zich in een veilig nest weten, presteren beter) en Sociale Zaken (het gaat ook om het vergroten van kansen op de arbeidsmarkt).”
“Justitie heeft nu alleen een steen in de vijver gegooid en niet voor niets. Ze zit in een crisis. Er worden steeds meer cellen gebouwd, terwijl men op het departement best weet dat de 'harde kern', de stelselmatige daders van ernstige criminaliteit, zich daardoor niet laat afschrikken. Bovendien blijkt de preventieve aanpak van de zogeheten randgroepjongeren en de inrichtingsbehandeling van de zwaardere delinquenten niet bijzonder succesvol.”
Dat komt volgens Junger-Tas omdat de beïnvloedbaarheid van mensen met de jaren steeds minder wordt en plaatsmaakt voor een zekere rigiditeit. Ingrijpen bij jongeren in een periode waarin zij hun crimineel meest actieve jaren hebben bereikt, heeft slechts kortdurende effecten, zo blijkt uit divers onderzoek. Niet zo gek dus dat Justitie zich nu tot een veel jongere generatie wendt.
Riekt het toch niet een beetje naar staatsopvoeding?
“Ach, welnee. We gaan ons niet bemoeien met de opvoeding. Ik zie het als vaardigheidstrainingen. De huidige samenleving stelt veel hogere eisen aan opvoeders dan in mijn tijd. Eind jaren zestig met vier kleine kinderen. Het werd toen nog tamelijk apart gevonden dat ik 's avonds lesgaf. Het leven was toen zoveel makkelijker, met een volledige werkgelegenheid en enorme bouwprogramma's. Gezinnen waren goed gehuisvest, de bevolking was homogener en harddrugs speelden nauwelijks een rol.”
“De problemen die kinderen nu hebben, komen zeker niet voort uit kwaadwillendheid van ouders, maar voor een groot deel uit de hardere omstandigheden waarin de ouders zich bevinden. In een andere cultuur, die andere vaardigheden eist, met werkomstandigheden die meer mogelijkheden voor kinderopvang vereisen.”
“Weet je wat een heel sterke voorspeller is voor latere delinquentie? Een gebrek aan toezicht en controle. Let wel: dit betekent geen veroordeling van werkende ouders. Ik heb zelf altijd gewerkt. Maar als je er zelf niet bent, moet je wel zorgen voor adequaat toezicht. In een oudertraining kan worden gewezen op het belang daarvan. Je kunt ouders ook leren observeren, leren begeleiden, leren crimineel gedrag te herkennen, leren zelf op een adequate manier te reageren. In gezinnen waarin het niet goed gaat tussen ouders en kinderen zie je vaak dat er geen discipline heerst, dat ouders niet consequent zijn. Ze laten de dingen over hun kant gaan, omdat ze moe zijn, geen zin hebben of soms niet weten hoe te handelen. En dan opeens, als het ze te veel wordt, meppen ze erop. Regels zijn er om af te dwingen, maar niet zo. Ik zal ouders niet voorschrijven: zorg dat je kind om twaalf uur binnen is. Maar ik zou wel willen zeggen: als je je kind zegt om twaalf uur binnen te zijn, moet je ook zorgen dat het gebeurt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.