*

 
dossier

Archief

CDA verlangt naar daadkracht wijlen Dales

Door: redactie − 03/10/97, 00:00

Van onze parlementsredactie DEN HAAG - Voor minister Dijkstal (VVD) van binnenlandse zaken moet het een pijnlijk moment zijn geweest. Een CDA-Kamerlid, Van der Heijden, dat openlijk zijn verlangen uitsprak naar de tijd dat wijlen PvdA-minister Dales nog op het departement zat.

Van der Heijden uitte zijn verzuchting ('niet aardig' vond hij er zelf van) gisteren tijdens een overleg van Kamerleden met Dijkstal over de kwestie-Brinkman, de ontslagen chef van het Rotterdamse politiekorps. De minister kreeg de nodige kritiek over zich uitgestort. Een groot deel van de Kamer vindt dat hij zich in de ruzie tussen Brinkman en de Rotterdamse burgemeester Peper, de korpsbeheerder, te afwachtend heeft opgesteld en eerder had moeten ingrijpen.

“Het doet terugverlangen naar de tijden van mevrouw Dales”, aldus Van der Heijden. “Zij zou hebben gezegd: jongelui kom eens even hier, en nu is het gedonder afgelopen. Misschien zouden mensen, die de politiewet heel precies uitleggen, reageren met een nou, nou, nou. Maar het zou wél hebben geholpen.”

“Afstandelijk en formalistisch”, zo karakteriseerde D66-woordvoerder De Graaf de houding van de minister. “Het gaat niet om formele bevoegdheden die de minister al dan niet op grond van de wet heeft, maar om een actieve houding van de minister. Diens gezag stijgt uit boven de formele bevoegdheden die hij heeft.”

“Ik blijf op de hoogte, ik doe verder niet zo veel en de politiewet geeft me ook weinig ruimte”, zo omschreef GroenLinks-woordvoerder Rosenmöller de aanpak van Dijkstal. En zijn PvdA-collega Van Heemst formuleerde het zo: “Als op 2 juni (toen het conflict tussen Brinkman en Peper en de andere Rijnmondburgemeesters plotseling in volle hevigheid naar buiten kwam, red.) de vlam in de pan slaat, waarom heeft de minister dan niet voor twee weken het gas uitgedraaid?”

Volgens Dijkstal heeft hij er echter alles aan gedaan wat in zijn vermogen lag om de gemoederen in Rotterdam tot bedaren te brengen. Het middel van een aanwijzing op grond van de politiewet kon hij daarbij niet gebruiken. Dat is volgens hem niet voor gevallen als de zaak-Brinkman bedoeld. “We zijn er elke dag mee bezig geweest”, verzekerde hij de Kamer.

Tot begin juni, aldus de verdediging van de minister, was er - afgezien van een gesprek met Peper en Brinkman over de problemen met de ondernemingsraad - geen reden om zich nadrukkelijk met het Rotterdamse korps te bemoeien. Dat werd begin juni echter plotseling anders. Toen kwam uit Rotterdam het bericht dat de 23 burgemeesters in Rijnmond geen vertrouwen meer hadden in korpschef Brinkman. “En als zij die conclusie trekken dan moet ik daar van uit gaan”, aldus Dijkstal.

Dat de breuk tussen Brinkman en de burgemeesters onherstelbaar was, werd Dijkstal duidelijk toen beide partijen begin juni vrijwel direct veelvuldig de publiciteit begonnen te zoeken om elkaar over en weer zwart te maken. Het televisie-optreden van burgemeester en korpsbeheerder Peper op 5 juni, toen hij voor de camera in hemdsmouwen verklaarde dat het vertrouwen van de burgemeesters in Brinkman onherstelbaar was beschadigd, was voor Dijkstal het signaal dat het onafwendbaar fout ging in Rotterdam.

“Ik heb daar de korpsbeheerder en de andere burgemeesters over gekapitteld”, zei hij gisteren in de Kamer. “Je mag met elkaar van mening verschillen. Maar als je dat voor de televisie gaat uitvechten, dan wordt het een prestigeslag en is er geen weg meer terug. Toen werd mij duidelijk dat de vertrouwensbreuk onherstelbaar was. Het kon voor mij niet meer verder. Ik beschouw de rol van de publiciteit in deze zaak als buitengewoon bepalend.”

De raadsman van Brinkman, advocaat Van Leeuwen, reageerde verheugd op de uitlatingen van Dijkstal. “Hiermee geeft hij duidelijk aan dat de schuld voor de escalatie van het conflict bij Peper en de andere burgemeesters ligt. Wat ik de minister verwijt is dat hij toen niet heeft ingegrepen”, aldus Van Leeuwen.

mailIcon print |