*

 
dossier

Archief

Een Europees Catch 22

KOEN KOCH − 11/01/97, 00:00

Voor de enkelen die het willen weten: ik ben om half vijf 's middags in Franeker met een (ondanks mijn skibril) bevroren rechteroog van het ijs gestapt. Jammer, maar het was toch weer een feestdag. En dan nu over tot de orde van de dag, het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie dus.

Alleen al het verschijnsel van dat roulerend voorzitterschap toont de onvolgroeidheid van de Unie aan. Stel je eens voor dat de Verenigde Staten van Amerika nu eens door Vermont, dan weer door Delaware vertegenwoordigd zouden worden. Iedereen zou dan wijzen op het onvermijdelijke gebrek aan continuïteit en expertise en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van het gevoerde beleid. Pogingen echter om aan het roulerend voorzitterschap in de EU een eind te maken lijden telkens schipbreuk op de onwil van juist de kleinere landen. Zij willen de gelegenheid om eens in de zoveel jaar in het licht van de internationale publiciteit te staan niet opgeven.

We zien hier de Europese Catch 22: de noodzaak van institutionele hervormingen en tegelijk de onwil van de betrokken landen om deze door te voeren. Ook bij het aantal leden van de Europese Commissie is dit aan de orde. Door het grote aantal commissarissen is de inhoud van de portefeuilles vaak onbeduidend geworden. Maar geen land, ook Nederland niet, is, op grond van overwegingen van macht en prestige, bereid om zijn 'eigen' commissaris in te leveren. Institutionele kwesties zijn in essentie dus kwesties van macht en machtsverdeling, onoplosbaar zolang het zwakste land elke verandering kan tegenhouden.

Het verlangen naar institutionele hervorming heeft iets van een Tantaluskwelling: naarmate men zich meer naar de bron buigt om te drinken, wijkt het water terug. Misschien zou men dus eigenlijk niet zo nadrukkelijk moeten willen. Maar hoe zit het dan met de Europese daadkracht en de efficiënte besluitvorming die juist hervormingen vereist? Benadrukt moet worden dat die daadkracht in beginsel niet samenhangt met welke institutionele blauwdruk dan ook, maar voor alles met belangenovereenstemming. Instituties kunnen geen daadkracht afdwingen waar inhoudelijke consensus over beleid ontbreekt.

Nederland heeft het totstandbrengen van een substantieel Verdrag van Amsterdam tot toetssteen van zijn voorzitterschap gemaakt. Erg handig is dat gezien de algemene onwil om tot hervorming te komen niet. Een Verdrag van Amsterdam lijkt politiek onhaalbaar, maar is misschien ook gewoon onnodig, of zelfs gevaarlijk.

In dit verband is de opvatting van oud-premier Lubbers interessant, juist omdat hij het voorzitterschap van de Europese Commissie op een haar na heeft gemist. Lubbers schrijft in de Internationale Spectator (december 1996) dat 'integralisten' die met een beroep op federalisme en efficiënte besluitvorming menen de Europese problemen met verdragswijzigingen aan te kunnen, zich vergissen. Hij bepleit geen grote Europese vergezichten, maar samenwerking op deelterreinen tussen landen die daartoe bereid zijn.

Voor een CDA-politicus een opmerkelijk afscheid van het federale ideaal. Nog opmerkelijker is dat Lubbers meent dat 'de integralisten' geen kans maken bij de Europese burger die zulke verdragswijzigingen zou moeten accorderen. Een leuke boodschap voor Van Mierlo: zijn Verdrag van Amsterdam zal per referendum worden verworpen. Jammer alleen dat wij die kans niet hebben.

Of bepleit Lubbers, tegen zijn eigen CDA in, ook een Nederlands referendum over het Verdrag van Amsterdam?

mailIcon print |