Zonder bijzondere gedachten loop ik over het strand, de roep van meeuwen en scholeksters in de oren. De wind rukt aan mijn jas. Grijswitte drieteenstrandlopertjes rennen voor de uitlopende golven uit, geven een piepje en vliegen over de branding terug naar waar ze begonnen met hun jacht op zeediertjes.
Ik buk me af en toe om wat uit het aanspoelsel op te rapen: een dop van een tropische noot, meegevoerd door de golfstroom uit verre zuidelijke gewesten, wat rommel, ergens op de Noordzee overboord gegooid, een venusschelp, een nonnetje, een slakkenhuis. De jonge schelpenverzamelaar komt weer even boven en ik denk aan de kist met jeugdsentiment op zolder, waarin schoenendozen zitten vol geëtiketteerde luciferdoosjes met tere schelpen rustend op een bedje van watten. Wanneer heb ik die voor het laatst bekeken? Dertig jaar geleden, geloof ik.
Ik verzamel al lang geen schelpen meer, al neem ik van vreemde stranden nog altijd wat schelpen mee. Liever fotografeer ik ze zoals ik ze vind, op het zand of op bijeengespoeld schelpgruis.
Bij aflandige wind
Slakkenhuisjes vind je vooral na stevige landwind. Aflandige wind drijft de bovenste waterlagen zeewaarts, waardoor vlak voor de kust een tekort aan water ontstaat. Om dat tekort aan te vullen ontstaat een stroom over de zeebodem richting kust, dwars over banken en door slenken. Die onderstroom sleurt alles mee wat licht genoeg is om verplaatst te worden. Vaak liggen de lege huisjes al lange tijd op de zeebodem en zijn ze zwart gekleurd door zwavelijzerverbindingen. Zeeslakken verschillen in bouw nauwelijks van landslakken. Van de levende slak zie je doorgaans weinig meer dan het voorste deel van het lijf met de voet, waarop hij voortglijdt. Bedreigde slakken trekken zich helemaal in hun huisje terug. Veel zeeslakken sluiten de opening tevens af met een hoornachtig dekseltje, dat zij op de rugzijde van de voet meedragen.
Aaseters
Zeeslakken ademen door een kieuw, die in een holte in het huisje ligt. De huisjes van veel soorten vertonen een karakteristieke gleuf in de mondrand, het siphokanaal, waardoor het levende dier een lange adembuis naar buiten steekt. Die buis, de sipho, dient om water toe te laten tot de kieuw, maar speelt ook een rol bij het voedsel zoeken. Veel zeeslakken leven van aas, dat zij vinden door hun uitnemende reukzin: ze tasten met de sipho het water af naar geursporen, die de slakken volgen tot ze bij een dood dier komen. Uit de buit raspen ze stukken met hun bandvormige rasptong, de radula, die bezet is met talloze dwarsrijen scherpe chitinetandjes. In de Noordzee doen de wulken, de noordhoorns en de fuikhoorns dat. Fuikhoorns ruiken aas al op dertig meter afstand.
Roofdierenen wiereters
Sommige zeeslakken zijn echte rovers. Tepelhoorns boren een gaatje in strandschelpen, zaagjes en nonnetjes. Een tepelhoorn omvat de gesloten strandschelp met de voet en drukt zijn kop met de rasptong tegen het dunste deel bij de top van de schelp.
Eerst wordt de kalk van de schelp gedeeltelijk opgelost door een zuur, dat wordt afgescheiden door de boorklier. Met de rasptong wordt het gaatje verwijd, totdat de slurf van de slak erdoor kan. Vervolgens wordt de mossel door het gaatje opgegeten totdat de schelpen opengaan en de slak het dode schelpdier er gemakkelijk uit kan eten.
Er zijn ook vreedzame wiereters, de schaalhoornslakken en alikruiken, die voornamelijk op dijken en strandhoofden leven. Dat zijn ook de plekken waar je altijd levende zeeslakken kunt aantreffen. Op het strand vind je die weinig.
Schoonheid
Het zijn voornamelijk de lege huisjes, waardoor je zeeslakken leert kennen. Bijna alle soorten hebben spiraalvormig gewonden hoorns. Van een bijzondere schoonheid is het meestal porseleinwitte, met paarsbruine vlekjes getekende wenteltrapje. Het drie centimeter lange, torenvormige huisje heeft gewoonlijk zes geleidelijk in grootte toenemende, bolle windingen, gescheiden door een diepe naad. Elke winding heeft negen of tien afstaande dwarsribben, die precies aansluiten op de dwarsribben van de vorige winding. De laatste rib vormt de dikke mondrand. Wenteltrapjes vind je vaak in het zwarte aanspoelsel, dat vooral bestaat uit houtskoolachtige veenresten en zwartblauw gruis van tepelhoornhuisjes.
Turtons wenteltrapje is veel zeldzamer, nog het meest te vinden op de Waddeneilanden, een enkele keer ook bij Zandvoort en Katwijk. Dit beigebruin gekleurde wenteltrapje heeft meer windingen, gewoonlijk een stuk of tien, met een minder diepe naad ertussen en de ribben, twaalf tot zestien per winding, zijn platter en liggen niet zo mooi in elkaars verlengde als bij het gewone wenteltrapje.
Wenteltrapjes zijn rovers, die in tamelijk diep water bijna uitsluitend slibanemonen eten. De radula zit verborgen in een lange slurf.
Trapgevel
Trapgeveltje heet een spits slakkenhuis met getrapte windingen, waartussen de naden echt een hoek van negentig graden vormen. De windingen hebben knobbelige dwarsribben. Trapgeveltjes zijn tamelijk gewoon van Hoek van Holland tot Noordwijk en op de Waddeneilanden en vooral te vinden na oosterstorm in zwart gruis en ander fijn aanspoelsel tegenover muien. Verse huisjes zijn wit of crème, oude leiblauw of roestbruin.
Veel gewoner dan wenteltrapjes en trapgeveltjes zijn de blond gekleurde gewone tepelhoorns. Hun ovale huisjes hebben een heel grote laatste winding, die de andere windingen grotendeels bedekt. Langs de naad zijn bruine streepjes te zien. De diepe holte naast de mond, de navel, is typisch voor tepelhoorns.
Veel kleiner is de glanzige tepelhoorn, licht beigegeel met banden van paarsbruine vlekjes en V-streepjes. Ik heb de huisjes vooral veel gevonden bij het IJmuidense zuidelijke havenhoofd, de 'Zuidpier'. Daar lagen ze in de vloedlijnen dicht bij het water tussen zeeboontjes, jonge strandschelpen en visgraatjes.
Het schelpgruis, dat vooral tegenover muien op het strand wordt gedeponeerd, bevat allerlei verrassingen. Neem er eens een zakje van mee naar huis. Met het blote oog bekeken lijkt het gruis alleen te bestaan uit graatjes en stukjes schelp.
Bekijk je het door een sterke loep, of beter nog door een binoculaire microscoop, dan kun je er niet alleen jonge strandschelpjes, nonnetjes, platschelpen en zaagjes in vinden, maar ook heel kleine slakkenhuisjes. Van het fossiele vliezige drijfhoorntje bijvoorbeeld of van het vaak uiterst algemene wadslakje.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.