'Een aanrijding', meldden de Nederlandse Spoorwegen afgelopen zondag. De machinisten weten wat dat in werkelijkheid betekent. Gemiddeld vier keer per week werpt iemand zich voor de trein, een gemiddelde dat stijgende is. De machinist weet dat hij niet de dader is, maar blijft in verwarring achter, verdrietig èn woedend.
Meer dan tweehonderd keer per jaar gooien in Nederland mensen zich voor de trein. In opperste wanhoop, verdriet of uit boosheid. Waarmee het gemiddeld vier keer per week een traumatische gebeurtenis is voor machinisten van de Nederlandse Spoorwegen. Als het overdag gebeurt, merken de reizigers het slechts aan de vertraging die hun reis oploopt. “In verband met een aanrijding op het baanvak Zwolle-Deventer is er geen treinverkeer mogelijk”, luidde vorige week de mededeling van de stationsomroepster. “Reizigers worden met bussen vervoerd”, besloot zij.
De reizigers van een intercitytrein kwamen afgelopen zondagavond urenlang vast te zitten bij Prinsenbeek op het traject Breda-Dordrecht, nadat een man zich voor de trein had geworpen. Ook in dit geval werd naar buiten toe slechts melding gemaakt van 'een ongeval'.
Jaarlijks maken in Nederland ongeveer zestienhonderd mensen een einde aan hun leven. Dat aantal neemt de laatste jaren af - rond 1984 pleegden nog gemiddeld 1 900 mensen zelfmoord. Ophanging is de meest gekozen manier (42 procent). Ongeveer vijftien procent beëindigt zijn leven door voor de trein te springen. En hoewel het aantal zelfmoorden afneemt, blijkt juist deze vorm van zelfdoding de afgelopen tien jaar steeds vaker te worden toegepast. Machinisten beseffen maar al te goed dat zij daarmee een steeds grotere kans lopen een zelfmoord te beleven, hoewel er nog steeds meesters met pensioen gaan wie het nooit is overkomen. De machinisten die het wel meemaakten, bleven soms lange tijd ziek thuis. Er zijn gevallen bekend van machinisten die enkele dagen nadat zij weer reden, opnieuw zo'n gebeurtenis meemaakten.
“Je bent als jonge machinist nieuwsgierig hoe je erop zult reageren”, zegt Jan Rooks. “En waar het je zal gebeuren.” Zijn nieuwsgierigheid is inmiddels ruimschoots bevredigd. Hij heeft het drie keer meegemaakt. De eerste keer in 1978 na drie weken op zijn 'eigen' trein. “Vroeger waren er vaste plekken”, herinnert hij zich. “Mijn ervaring is de laatste tijd dat het op elke denkbare plaats kan gebeuren. Maar niet in de echt onbewoonde gebieden. Het zijn geen mensen die de hei opzoeken. En niet speciaal vlakbij psychiatrische ziekenhuizen, zoals vaak wordt gedacht. Het is niet zo dat ik op bepaalde plekken extra op mijn hoede moet zijn. Het kan dus altijd, op de meest onverwachte momenten gebeuren. Toch, als ik met dit idee op de trein stap, kan ik mijn werk niet meer doen en ben ik rijp voor de hulpverlener.”
“Iedereen reageert heel persoonlijk, de één gaat er over piekeren, soms leidt het regelrecht tot een shock-toestand. Dat is het verschrikkelijke eraan. Als zo'n ongeluk is voorgevallen, wordt er op de standplaats altijd heel geïnteresseerd naar gevraagd wie op de trein zat. En dan komen de gesprekken los in de kantines. En wordt oud zeer opgerakeld. Vervolgens stapt iedereen toch weer anders op z'n trein dan normaal.”
De trein stilzetten is het eerste dat de machinist doet als iemand is aangereden. “Je trekt meteen aan de remkraan”, zegt Rooks. “De reizigers schrikken van zo'n oncharmante stop, een ATB-remming, hetzelfde als wanneer iemand aan de noodrem trekt. De machinist drukt op de alarmknop, waardoor alle treinen op het traject gewaarschuwd worden. Die gaan dan 40 kilometer per uur rijden. Want de hulpverleners lopen ook weer gevaar als een trein in volle vaart zou langskomen. Je meld het gebeurde eerst aan de verkeersleiding en aan de conducteur. We hebben tegenwoordig allemaal zo'n portofoon. Je laat je conducteur weten dat er narigheid is. Als uit de reactie van de conducteur blijkt dat hij er niet goed tegen kan, dan ga ik naar achteren. Ook al staat het misschien in de regels, zo iemand wil ik niet nodeloos belasten. De conducteur blijft dan bij de reizigers. Dat is tegenwoordig vaak ook een hele klus, want die zijn belust op sensatie. Gelukkig kun je tegenwoordig de deuren vergrendelen, maar het komt voor dat iemand uit het raam klimt. Je moet voorkomen dat die op het spoor gaan lopen. Ik kan de ellende wel zien. Het ergste vind ik het gevoel van machteloosheid, maar dat is dan al voorbij.”
De Nederlandse Spoorwegen hebben vaste regels hoe te handelen bij zelfmoord. Voor procesmanager Willem de Jong is de nasleep van een zelfmoord nogal een belasting waar ook de Spoorwegpolitie aan te pas komt. “Verhoren en een papierwinkel. Waar het is gebeurd, de omstandigheden, of de trein kapot of vuil is.”
De Jong vertelt hoe volgens de regels de conducteur naar achteren gaat met folie om het lichaam af te dekken voor de nieuwsgierige blikken van de passagiers. Hij vangt de machinist als eerste op. De Jong: “De ene machinist is anders dan de andere, maar hij is doorgaans ontredderd. Sommigen hebben er slag van, anderen weten met de situatie geen raad. Het is de taak van het personeel om de passagiers gerust te stellen na zo'n noodstop. Soms kan een machinist na zo'n ongeluk eenvoudig niet verder: er komt een vervanger uit de wachtdienst die de trein verder bestuurt. De machinist die het overkwam, gaat dan soms verder als passagier in zijn eigen trein. Als de machinist op zijn standplaats terug is, wordt hij opgevangen door zijn eigen procesmanager of diens assistent.”
Hoewel Rooks machinist is, is hij gewoonlijk degene die naar achteren loopt. Hij is niet zo snel uit z'n evenwicht. “Het is een verschrikkelijk eind lopen, zo'n zes tot zeven, achthonderd meter, maar die meters lijken wel kilometers, vooral als het lichaam ver achter de laatste wagon ligt”, zegt Rooks. “Het wordt nooit een routine. De laatste keer was het aardedonker. Er was letterlijk geen levende ziel te bekennen. Van de aanblik schrik ik niet meer, maar je weet dat je in elk geval een hoop narigheid te zien zult krijgen. Soms liggen de resten van zo iemand op het spoor, het komt ook voor dat het lichaam in delen langs de rails ligt.”
“Sommigen springen op het perron voor de trein, maar meestal stappen ze uit de struiken langs de baan”, zegt assistent procesmanager Nico Roeloffs. Hoewel hij acht jaar als machinist heeft gewerkt, is hem een zelfmoordactie bespaard gebleven. Wel heeft hij dikwijls collega's moeten opvangen wie zoiets was overkomen. “Het komt voor dat de stoptrein langs het perron rijdt en dat iemand ervoor springt. Dan kun je nog net stoppen, maar dan moet je er rekening mee houden dat die mensen boos zijn. Meestal gebeurt het bij snel rijdende treinen. Ik heb ook wel gehoord dat iemand geruime tijd tevoren op de rails gaat liggen. Dan ziet de machinist het dikwijls iets eerder, maar ook dan kan hij z'n trein niet meer op tijd laten stoppen. De remweg is in noodgevallen toch altijd nog zo'n zes-, zevenhonderd meter, afhankelijk van je snelheid.”
Rooks: “Mensen lijken de dienstregeling wel uit hun hoofd te kennen. Ze kiezen welbewust moment en plaats, precies waar je de trein absoluut niet meer kunt houden. Een keer keek ik iemand op het laatste moment in de ogen. Een brutale, waanzinnige blik.
Machinisten worden tijdens hun opleiding al gewezen op de kans dat zij zelfmoorden zullen meemaken. Rooks: “Vroeger liet men veel afhangen van de tact van de direct leidinggevende, terwijl er nu structureel iets aan gebeurt.” Procesmanager de Jong: “De laatste jaren is er meer aandacht voor de psychosociale gevolgen voor de machinist. Ook bij de NS is een cultuuromslag gaande. Het management heeft er meer aandacht voor. Bij de Spoorwegen zijn zelfhulpgroepen, die iets proberen te doen aan de traditionele, mannelijke cultuur. Vroeger ging het vooral over de technische kanten, hoe het personeel moest handelen. De procesmanager kan speciale hulpverleners inschakelen, die aandacht hebben voor wat het een machinist doet. Aandacht hebben voor de beroepsrisico's is een voorschrift van de Arbo-wet.”
Het onderwerp komt geregeld aan de orde onder treinpersoneel. “Maar praten is geen thermometer”, zegt Rooks. “Iedereen doet flink, maar als ik hier in de kantine openlijk zeg dat ik thuis in een huilbui ben geschoten, dan zie ik allemaal knikkende hoofden. Iedereen die het overkomt heeft een reactie, sommigen janken al in de kantine, de meesten thuis bij moeder de vrouw bij een bak koffie.”
“Het blijft een existentiële gebeurtenis, want je hebt met de dood te maken”, zegt de procesmanager. “De schrik en de machteloosheid. Dat zijn voor mij de factoren. Het is zo'n inbreuk op je privéleven. Je wordt geconfronteerd met je eigen beperktheid.” “Soms heeft iemand het gevoel dat hij tegen zijn eigen wil een moordwapen heeft bediend”, weet De Jong. “Wat mij betreft onzin”, zegt Rooks. “Maar er wordt ook wel eens gezegd: 'het hoort er bij'. Alsof het iets gewoons is. Dat vind ik gelul.”
“Vanuit de opvang krijgen wij wel te maken met schuldgevoelens bij machinisten”, zegt De Jong, maar Rooks ziet dat heel anders. “Toen het mij laatst was overkomen en ik thuis zat te janken, zei mijn boer: 'Jan, jij bent net zo schuldig als al die reizigers achter je'. Ik bedacht toen dat het geen kwestie van schuld was. Zo zie ik het niet. Ik zat toevallig op die trein. Het slachtofffer, de dader, had elke andere trein kunnen uitzoeken. Over schuld wens ik niet te fantaseren. Ik heb me wel eens in die dader, het slachtoffer, proberen te verplaatsen en me afgevraagd wat er bij mij nodig zou zijn om daar te gaan staan. Als ik een trein zie aankomen, ben ik geneigd een stapje achteruit te doen. Zodra ik naar de trein toe wil, stop ik met mijn werk. Het is pure wanhoop, het is waanzin, het is van God los, van je eigen waardigheid los. Kwaad ben ik niet op zo iemand, eerder voel ik medelijden. Maar daar doe ik verder niets mee. Ik hou afstand.”
“De eerste keer ben ik gewoon de volgende dag weer op de trein gestapt. Er was niks aan de hand, dacht ik. Ze krijgen mij niet klein. Na drie dagen rijden had ik vrij en was ik alleen thuis. Ik weet het nog goed. Mijn vrouw was naar de markt. Ineens werd het me te veel. Ik stond gewoon te snotteren. Dat was wel een heel ontnuchterende ervaring, als je na drie dagen ineens als een klein kind staat te janken. Zo'n reactie kan nog weken na de gebeurtenis komen. Je moet zorgen dat je geen eelt op je ziel krijgt, maar je moet ook niet gaan zwelgen in zelfbeklag. Ik probeer mezelf wel te wapenen zonder prikkeldraad om mijn ziel te krijgen. Je moet gevoelig blijven voor bepaalde dingen. Ik ben gelovig. Toen mijn zusje zei dat ik eelt op mijn ziel moest krijgen, reageerde ik: 'Als het voor onze Lieve Heer ook zo was, dan zou het nooit Pasen zijn geworden'.”
De Jong: “Huilen is heel normaal: de schrik komt eruit en alle emoties die er geweest zijn. Er zijn collega's die heel boos zijn. Zo'n gebeurtenis kan altijd iets in je losmaken, waardoor je zelf voor een verrassing komt te staan. Het kan enorme woede oproepen, wat iemand met z'n leven doet en wat die jou aandoet. De rol van je partner, je leidinggevende en de hulpverleners is heel belangrijk. Ga je niet verdiepen in de achtergrond van dat slachtoffer. Maar sommigen hebben dat juist nodig om er uit te komen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.