Uitzending op radio 4: 17 februari.
Uit het gemak waarmee het Amsterdamse publiek datzelfde werk woensdagavond consumeerde en waardeerde in de uitvoering door het Concertgebouworkest, kon worden afgeleid dat Schönberg toch nader tot het oor gekomen is. De situatie is voor zijn werk in ons land natuurlijk uitzonderlijk goed met zoveel ensembles (onder andere een die zijn naam draagt) die zich op oude en nieuwe 'nieuwe muziek' toeleggen. We zijn zoveel verder dan luisteraars in 1928.
In dirigent Riccardo Chailly heeft het Concertgebouworkest een musicus voor wie 'nieuwe muziek' een natuurlijk element in zijn actieradius is. Zijn beheersing van en inzicht in het vernuftig constructiewerk op twaalftoonsbasis zorgde ervoor dat elke wending binnen de negen variaties logisch en herkenbaar ervaren werd.
Chailly liet vooral doorklinken dat Schönberg ons geen partijtje hersengymnastiek voorzette, maar muziek waaruit hart en ziel, en vooral plezier spreekt. De kleurrijkdom kwam magnifiek te voorschijn, met de zevende variatie (vol helder doorschenen samenklanken) als hoogtepunt. Dat Schönberg zo'n enorm orkest nodig had voor een sterk kamermuzikale compositie, verbaasde het meest.
Een veel minder grote bezetting met een massiever klankresultaat trad aan voor de vertolking van Bruckners vijfde symfonie, 120 jaar geleden gecomponeerd. Zijn 'nieuwe muziek' lag wel bijna twintig jaar op de plank alvorens een dirigent het stuk aandurfde; het succes was toen groot, en woensdagavond was dat niet anders. Chailly wist zijn analytische aanpak perfect te mengen met de associatieve stijl van het orkest. Zo wekte hij nu koperfanfares op die niet bits en fel maar diep en krachtig tot expressie kwamen, een belangrijk gegeven in Bruckner. De warme klank van het strijkorkest deed de hartstocht en innigheid, prominent in het adagio, ten volle uitkomen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.