Hij besloot theologie te gaan studeren nadat hij de godsdiensthistoricus Van der Leeuw had ontmoet.
“Ik was bevriend met de zoon van de godsdienstfilosoof De Vos. Ik was een keer bij hen te eten gevraagd en daar was ook de grote Gerardus van der Leeuw. Zijn vrouw was pas overleden. Hij was wild van verdriet en gruwelijk aan de drank. Het maakte buitengewoon veel indruk op mij dat het strenge sociaal-democratische geheelonthoudersgezin De Vos twee flessen wijn op tafel zette. Nog meer indruk maakte het dat Van der Leeuw ze beide leegdronk en daarbij honderduit praatte over de gedichten van Hölderlin, de Egyptische piramides, het verband tussen scheppingsmythes en detectiveromans, de sacrale aspecten van bouwkunst en dat allemaal op een vanzelfsprekende, onnadrukkelijke manier. Later vroeg ik aan professor De Vos wat voor vak die man had. Hij zei: dat is nu Nederlands beroemdste godsdiensthistoricus. Toen dacht ik: dat vak wil ik ook. Iemand die zich professioneel met godsdienst bezighield, hoefde dus niet per se een bekrompen ziel te zijn die zich alleen aan de lettertjes van de bijbel wijdde.”
Theologen lagen niet goed in huize Leertouwer. “Mijn vader kwam uit een zeer orthodox protestants gezin. Toen hij op huwelijkscatechisatie enige kritische gedachten over de leer van de Drie-eenheid uitte, zei de dominee: 'als je dat vindt, dan trouw ik jullie niet'. Waarop mijn vader zei: 'als dat zo is, dan kan het niks voorstellen', en op slag buitenkerkelijk werd.”
In de oorlog begon zijn vader voorzichtig weer te kerken bij de dapperste predikant van Groningen, ds. Aalders. Hoewel hij de mogelijkheid verder te gaan in de muziek (hij speelde viool, later altviool) overwoog, koos hij voor de theologie. Een vak “in het ministerie van buitenlandse zaken van de theologie” waar het christendom alleen een rol speelt als factor van vergelijking. En dat beviel hem wel. Zijn leermeester Theo van Baaren bracht hem de liefde bij voor schriftloze volken. “Ons koloniale bewind had grondige aandacht voor de volken die we onderworpen hadden.” Hij promoveerde in 1977 op 'het beeld van de ziel bij drie Sumatraanse volken'. Het was in de jaren dat hij met Van Baaren de leiding had van het Instituut voor Godsdiensthistorische Beelddocumentatie.
Aan de schoorsteen van zijn werkkamer hangt een uit hout uitgesneden bruinblank voorouderschild uit het Asmatgebied. “Mensen die de grootste moeite hebben in leven te blijven, houden er toch een zo gecompliceerd iets als godsdienst op na. De vraag die mij dreef, was: hoe blijft dat overeind, terwijl het weg is als je twee keer blaast? Hoe handhaaft deze voorstellingswereld zich tegen de dagelijkse, harde ervaring in? Bij schriftloze volken zie je dat in zoveel krassere vormen gepresenteerd, omdat de strijd om het dagelijks bestaan daar veel harder is dan wij hem ooit zullen kennen. Vergelijk een avondmaalsviering die per klant misschien twintig cent kost eens met de viering van het varkensfeest op Nieuw Guinea, waarbij je zestien varkens moet slachten, wat gelijk staat aan drie keer het jaarinkomen van ieder lid van de stam. Dat zou je nooit doen als het alleen was om economische redenen. Waarom doen mensen dat? Omdat het blijkbaar een onmisbare factor in hun leven is. Het fenomeen godsdienst is zoiets breeds, dat het wereldwijd en in alle culturen voorkomt. Als gelovige mensen zijn wij stumperige types. Of je nu in de Badinvallei woont of in Leiden. We beweren voortdurend meer dan we waar kunnen maken. We vallen al gauw door de mand van het geloof, omdat hoe stelliger we iets beweren, hoe ongeloofwaardiger het wordt. Dat is wat mij steeds gefascineerd heeft: die blijkbaar onmisbare factor en de kwetsbaarheid ervan. De intellectuele bijna-onverdedigbaarheid. Want je kan wel aantonen dat gelovigen niet gek zijn, maar je kan niet aantonen dat ze ergens gelijk in hebben.”
“Dat is een vraag ook aan mezelf. Als professor in theologie die iets gelooft, zit ik op hetzelfde niveau van kwetsbaarheid als de eerste de beste Papoea.”
Die kwetsbaarheid vindt hij terug in de kerk. Hoewel hij nimmer gemeentepredikant is geweest, was hij bij tijden kerkelijk zeer actief en preekt hij nog regelmatig. “Ik heb de kerk zeer lief gehad. Ik houd van haar weerloosheid, haar stumperigheid. Zolang je bereid bent te blijven communiceren, hoef je ook in de kerk niets in te leveren aan intellectuele nieuwsgierigheid.” Want intellectuele nieuwsgierigheid mag nooit gefnuikt worden, is zijn stellige overtuiging.
Zijn kleinzoon van zeven kwam onlangs naar hem toe: opa, ik heb iets geweldigs. Ik kan bewijzen dat God niet bestaat. “Toen zei ik: zal ik je eens een paar argumenten geven waardoor je argumentatie beter wordt? Ik help hem zijn rotsvaste overtuiging dat God niet bestaat, intellectueel te onderbouwen. Mijn zorg is wel dat iedereen op een integere manier met dit verhaal wordt geconfronteerd.”
In een poging onder woorden te brengen wat hij wezenlijk vindt voor het geloof, grijpt Leertouwer terug op verhalen, uitspraken, dichtregels ('maar het is het niet, dat weet ik wel'). Uiteindelijk zegt hij: “Kent u Schuberts Der Hirt auf den Felsen? Daar zingen een sopraan, een klarinet en een piano een tamelijk sentimenteel liedje over een herder die in de herfst op een rots zit. Hij kijkt uit over het dal en het wordt hem droef te moede. Maar als hij maar lang genoeg kijkt, verandert het ritme, komt er een ander melodietje: Der Frühling wird kommen, dann werd' ich gehen zum Wandern bereit! Hij ziet iets waarvan hij toen hij begon te kijken, dacht: het is er niet. Maar hij kan toch niet ophouden ernaar te zoeken.
Soms ontdekken mensen die dit allemaal onzin vinden, tot hun eigen verbazing dat ze ook zoiets meemaken. Dat ze uit een bron die ze niet kenden en misschien welbewust ontkenden, een impuls ontvangen om zich ergens doorheen te geloven. Het is zoiets als de bescherming tegen je eigen gelijk. Het vermogen om de situatie van 'het gaat zoals het gaat', of dat nu biologisch is of mentaal, te overstijgen met: 'het hoeft niet te gaan zoals het gaat.''
“Je hebt daartoe een zekere naïveteit nodig. Die 'tweede naïveteit' heb ik van mijn moeder geleerd. Zij had in haar jeugd een roemruchte kinderkerk gevolgd, waar ze een onwankelbaar geloof aan had overgehouden, omdat wat daar werd geleerd warm was en betrouwbaar. Die naïveteit is - dat is ook mijn persoonlijk ervaring - alleen maar te veroveren en vol te houden in de contekst van een ritueel. In het ritueel is 'nu nog hier, straks in Jeruzalem' waar. Dat kun je vieren in Westerbork. Het ritueel is de enige plek waar datgene wat wij vermoeden over de wereld en dat wat wij eraan beleven, samenvallen. Want overal elders in ons leven worden onze vermoedens uitgespeeld tegen de realiteit die wij voor ogen hebben en verliezen de vermoedens.” Dat samenvallen is vrij zeldzaam. Maar levert ook prachtige paradoxen op. Bijvoorbeeld aan de universiteit. Van 1979 tot 1997 was Leertouwer hoogleraar in de algemene godsdienstgeschiedenis en de vergelijkende godsdienstwetenschap in Leiden. De laatste zes jaar daarvan was hij rector magnificus. Bij de opening van het academisch jaar pleegt het gehele hooglerarencorps twee coupletten van het Wilhelmus te zingen. Leertouwer zag bij die gelegenheden collega's die godsdienst als pure onzin beschouwen het mijn schild ende betrouwen van harte meezingen. “Na afloop kwamen ze de rector dan een handje geven: bedankt, want ik weet nu weer waar ik het voor doe. Dat doet het ritueel. Het is verbluffend wat een ritueel vermag. Buiten het ritueel is het bijna onvermijdelijk dat je op een morgen wakker wordt en denkt: het is weg en wat gekker is, ik heb er geen last van dat het weg is. Hij bestaat niet.”
“'God bestaat niet' is een onweerlegbare stelling. Maar als ik bid, is Hij er. Daarover kan ik niet liegen.” Toch kent hij de gedachte maar al te goed. Zoals toen kort na elkaar twee zeer geliefde familieleden overleden. Toen hij 's avonds na de tweede begrafenis thuiskwam, lag zijn bureau vol met stukken die geen uitstel konden velen. Het was in de tijd dat hij rector was. Hij hield het vol onder het motto dat hij zijn kinderen altijd voorhield:
'niet druppelen, doorpiesen'.
Het lijkt erop dat het ritueel verschraalt in een maatschappij, waarin mensen voor het eerst sinds eeuwen geen moeite hoeven te doen hun hoofd boven water te houden.
“De traditionele rituelen die de religie ons aanbood, passen niet op die situatie. Maar er ontstaan wel nieuwe. Het ontslag van de paradijsvloek is vooral veroorzaakt door de electronica. Het zou ook wel raar zijn als die geen bouwstenen aanleveren voor nieuwe rituelen. Eén van de dingen die ik graag zou willen ontraadselen is wat er aan de hand is met die muziekclips op televisie. Ook de houseparty komt denk ik tegemoet aan de behoefte aan een ritueel. En de omgang met drugs en de droevige manier waarop dat uit de hand kan lopen. Essentieel voor een goed ritueel is de inperking in de tijd, de ruimte, de frequentie, de reden. De zender bepaalt de inhoud, het tempo. Tegenwoordig ben je je eigen zender of consulteer je zoiets als internet. Dan kan het ritueel uit de hand lopen.”
“Wij kunnen niet zonder rituelen zonder iets wezenlijks te verliezen. Ik vind het jammer als de rituele competentie van een cultuur op z'n best gecommuniceerd wordt op kerstavond als iedereen een beetje in de war is.” Maar als hij aan droevige gedachten omtrent dit alles dreigt toe te geven, treedt onmiddellijk het correctiemechanisme in werking. Zei Van der Leeuw al niet op z'n eerste college: ,Mijne heren, het christendom is in Europa gekomen, het kan ook weer gaan'.
Maar de ontritualisering komt wel dicht bij huis. Geen van zijn drie zonen 'doet meer iets aan godsdienst'. “Je ontsnapt niet aan het gevoel: blijkbaar hebben we iets verkeerd gedaan. Maar de kinderen zeggen: jullie hebben ons niets opgedrongen. De oudste, die violist is, stort zich met alles wat hij in huis heeft op de vioolpartij van Bachs Erbarme dich. Hij ziet zichzelf op video spelen en zegt na enige aarzeling: tussen deel één en deel twee van de Mattheus zou er een voortreffelijke preek moeten zijn. Uitleg van wat hier gebeurt. Vind je ook niet?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.