*

 
dossier

Archief

beeldende kunst

ROBBERT ROOS − 09/01/98, 00:00

AMSTERDAM - Aan het begin van deze eeuw becommentarieerde de Berlijnse kunstenaar Georg Grosz met bijtende spot het grotestadsleven. Vooral de machthebbers moesten het in deze sociaal-kritische schilderijen ontgelden. Ruim zestig jaar later laten vijf jonge Berliners bij Galerie Fons Welters opnieuw hun licht over de grootstad Berlijn schijnen, maar nu vooral als metafoor voor de urbane omgevingen die het leven aan het eind van deze eeuw bepalen.

Grosz was een onvervalste moralist. Zijn schilderijen gingen over maatschappelijke verhoudingen, gekoppeld aan de economische depressie die Europa in het interbellum teisterde. We leven nu niet in een periode van depressie - integendeel, er staat een vrolijke economische polderwind - maar thema's als verborgen armoede en sociale ongelijkheid zijn nog steeds actueel. Vreemd genoeg laten kunstenaars ze echter structureel liggen. Alleen de identiteit van de hedendaagse mens in een door communicatie-technologieën gedicteerde wereld is een favoriet onderwerp binnen de avantgardistische kunstscene. En dat gekoppeld aan de kwetsbare - en door alle genetisch-technische ontwikkelingen soms onduidelijke - staat van het lichaam.

De laatste jaren begint hier de reflectie op de gebouwde omgeving bij te komen, zoals op de laatste Documenta in Kassel. Daar waren verstedelijking en urbaniteit belangrijke thema's. Het bewustzijn dat gebouwen en stedenbouwkundige patronen mede de kwaliteit van de leefomgeving bepalen, leidt tot een reeks van werken waarin deze fysieke kant van de stad centraal wordt gesteld.

Aan het eind van de jaren vijftig drong de sobere betonnen utiliteitsbouw onze binnensteden binnen en sindsdien teistert ze daar het urbane landschap. De betonkolossen etaleren een genadeloos gebrek aan emotionaliteit, die hele stukken stad tot troosteloos gebied laat verworden. Heidi Specker ziet dat ook, maar probeert er, virtueel, wat aan te doen. Op de paintbox (een computer die beelden kan manipuleren) maakt ze de contouren van kantoorgebouwen diffuus en ronder, zodat ze ineens een warmere identiteit krijgen. Speckers bewerkte foto's zijn vooral sterk als visuele tip om eens door onze wimpers naar de nuchtere betonbouw te kijken.

Franz Ackermann lokt ons ook weg van de werkelijk door ons mee te nemen op een bijna hallucinerende trip langs gedroomde stadslandschappen. 'Mental Maps' heten zijn schilderijen en tekeningen. Ackermann verandert het stedelijk weefsels in een 'all over'-compositie van felgekleurde waaierende patronen (analoog aan de psychedelische vloeistofdia's uit de jaren zestig), fragmenten van stedelijke structuren en maquettes van bekende gebouwen die als losse ijkpunten in deze poel van kleuren, vlakken en lijnen drijven.

Binnen de analyse-kunst van de jaren negentig is het wonderland van Ackermann een aangename visuele verademing. Ackermann ontleent zijn motieven aan de talloze reizen die hij heeft gemaakt. In de tekeningen zwerft hij als een toerist door de westerse en niet-westerse stedelijke jungles en geeft daar zijn eigenzinnige visie op.

Manfred Pernice vlucht net als Ackermann en Specker in de fantasie als alternatief voor de werkelijkheid. Pernice knutselt bouwwerkjes in elkaar die het sentiment van de maakbare wereld van de modernisten laat herleven. De kartonnen en houten modellen hebben een aandoenlijke archetypische kwaliteit, alsof het machines voor stedelijk leven zijn, maar deuren ontbreken en ramen zijn spaarzaam en vrijwel nooit 'functioneel'. De Berlijners bieden geen oplossingen voor de urbane problematiek. Ze tonen slechts mogelijkheden om anders naar de stedelijke realiteit te kijken en haar zo te relativeren. En heel misschien te doorgronden.

mailIcon print |