*

 
dossier

Archief

In Den Haag verrijst Berlage's schepping voor tweede keer

HANS SCHMIT − 29/07/98, 00:00

DEN HAAG - De markante gevel van het Haags Gemeentemuseum heeft grotendeels weer de warm-gele, heldere uitstraling die H. P. Berlage voor ogen stond toen hij zijn laatste werk - en volgens velen zijn meesterwerk - neerzette.

De voorzijde en de zijkanten van de gevel zijn gereinigd en zo'n honderdduizend kapotte bakstenen, sinds de opening in 1935 aangetast door regen, zon en vorst, zijn door nieuwe vervangen. Alleen de schoorstenen van het voormalige ketelhuis, aan de achterzijde van het museum, staan nog in de steigers. Niet voor lang, want de restauratie van het museum, dat ruim anderhalf jaar terug de deuren sloot, ligt op schema. De feestelijke heropening staat voor 28 oktober op de agenda.

Berlage's schepping heeft een geheel vernieuwd dak gekregen dat, geheel volgens het oorspronkelijk ontwerp van de architect, het daglicht via drie lagen (de buitenkap op het dak en twee onderliggende lagen in het gebouw) doorlaat. Het oorspronkelijke glas bleek niet meer te maken, maar na veel moeite is een soort glas gevonden dat nagenoeg hetzelfde effect heeft.

In het interieur is het oorspronkelijke ontwerp van Berlage zoveel mogelijk gevolgd. In de loop der jaren waren talloze voorzieningen aangebracht die het gebouw geen goed deden; de bedoelingen van het uitgekiende ontwerp werden later niet goed meer begrepen. Met de gevel van het gebouw streefde Berlage vooral een esthetisch doel na. Het skelet van het gebouw (een reeks in elkaar overgaande kubussen) is van beton en de bakstenen hebben daarom geen dragende functie. Berlage gaf de ommanteling van het gebouw een ongewoon metselverband dat als een vlechtwerk tegen het beton staat.

De gele kleur en het formaat van de stenen zijn eveneens afwijkend van het gangbare. Aanvankelijk overwoog Berlage een roodgele steen, maar uiteindelijk koos hij voor het geel dat nu weer buiten zichtbaar is. In het verleden werden reparaties aan de gevel uitgevoerd met bakstenen die hooguit de oorspronkelijke stenen benaderden, waardoor het gevelbeeld ernstig werd verstoord. Voor de restauratie is een chemische analyse gemaakt van de oorspronkelijke stenen, waaruit bleek dat kalkarme Brunsumer klei als grondstof heeft gediend.

De voor de restauratie benodigde bakstenen (naast de gele nog zes andere soorten) zijn niet of nauwelijks van de oorspronkelijke te onderscheiden. De productie van dergelijke stenen is, op z'n zachtst gezegd, niet goedkoop; bovendien moest, omdat de stenen in lengte, breedte en hoogte net iets kleiner zijn dan het gangbare Waalformaat, een speciale snijmachine worden ingezet.

Wat voor de stenen geldt, gaat ook op voor onder meer de kozijnen en deuren van gebronsd messing en de tegels in het interieur, die opmerkelijke kleurschakeringen bezitten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de kosten van de restauratie voor dit jonge monument uitzonderlijk hoog zijn: zo'n 55 miljoen gulden. Het gebouw, dat deel uitmaakt van de verzameling van het museum, is daarmee in meerdere opzichten het duurste stuk uit die collectie.

De kunstwerken zullen na de heropening op geheel vernieuwde manier worden gepresenteerd. Bovendien is er een modegalerij bijgekomen, ondergebracht in een nieuw gebouwde kelder onder de binnentuin, waar de modecollectie (behorend tot de mondiale topvijf in haar soort) wordt geëxposeerd. Daarnaast zullen vanaf de opening drie tijdelijke tentoonstellingen worden gepresenteerd.

Als eerbetoon aan Berlage (die kort voor de opening van het museum overleed) wordt een overzicht gegeven van de activiteiten van Berlage op het terrein van de kunstnijverheid. Getoond worden onder meer meubels, glas en aardewerk. Daarnaast wordt een tiental werken van Kandinsky uit de periode 1910-1916 gepresenteerd. Tot de doeken behoren twee beroemde werken van groot formaat uit 1913 (Compositie VI en VII). Ten slotte zal er zilverwerk te zien zijn dat in de 17de en 18de eeuw in Batavia door Hollandse en andere Europese zilversmeden is gemaakt.

mailIcon print |