*

 
dossier

Archief

Met de neus getikt

HENDRIK VAN TEYLINGEN − 20/01/98, 00:00

'Toen honderden miljoenen jaren geleden vissen op het land kropen,' begint een bericht in het wetenschapskatern van j.l. woensdag, 'evolueerden hun vinnen in vingers en tenen.' Zo staat het immers geopenbaard in Het Grote Boek des Metenden Wetens. 'Een paar jaar geleden bleek echter,' zo vervolgt het bericht, in afwijking van een der hoofdlijnen van deze devotionele tekst, 'dat sommige van de eerste viervoeters hun vingers en tenen al in het water hadden ontwikkeld.' In een oud gesteente in Pennsylvania hebben biologen namelijk een prehistorische vis gevonden en 'de wijze waarop de botten in de vissenvin waren gerangschikt leek erg veel op de poten van een eveneens uitgestorven viervoeter'.

Hoe genadig is Moeder Evolutie dat Ze ons mensen het verstand heeft laten ontwikkelen waardoor we zulke incongruenties in Haar werken mogen harmoniseren... Gelukkig hoeven we al het daaraan te pas komende denkwerk niet allemaal individueel te doen. De verlichte meetweters onder ons gaan ons daarin steevast geestdriftig voor. 'Voor de vondst zijn twee verklaringen,' verklaart de tekst namens hen bondig en afdoend, en dat geeft dadelijk al een massa opluchting, want stel dat wij gewone mensen maar één verklaring weten te bedenken en die is nog fout ook! Of erger: tien verklaringen en allemaal goed!

Verklaring één: 'De vingerachtige structuren zijn tweemaal, onafhankelijk van elkaar tot ontwikkeling gekomen.' Dus iets wat op het land gekropen was kreeg vingers en iets wat niet op het land gekropen was kreeg eveneens vingers. Mooi. Begrijpelijke taal. We zouden ons in onze eenvoud alleen kunnen afvragen waar de prehistorische onderwaterhanden toe dienden. Bij Moeder Evolutie dient alles immers ergens toe. Bovenwaterhanden als de onze hebben er armen bij zodat je dingen die je ermee grijpt in je mond kan stoppen of voor je ogen houden om te bekijken wat je daar te pakken hebt. Van de prehistorische onderwaterhanden vernemen we niet of er armen bij zaten; als dat zo was geweest, zou het ons vast wel verteld zijn, want armen bij een vis zijn minstens zo vermeldenswaard als handen. Misschien mogen we denken dat de direct aan de buik bevestigde prehistorische onderwaterhanden ertoe dienden om in den blinde friemelend een bepaald type oertaai en snelgroeiend sperwier uiteen te plukken, dat de handvissen veelvuldig de doorgang versperde, wie weet zelfs de doorgang naar het pad landopwaarts, waarlangs ze mens hadden kunnen worden. Of misschien lukte het een stel van die handvissen dankzij die sperwier uiteen friemelende vingers wel degelijk om aan land te komen en werden zij onze voorouders! Zo'n mogelijkheid biedt ons in elk geval een scenario dat Moeder Evolutie in Haar waarde laat en dat gaat boven alles.

Verklaring twee: 'Sommige vissen en viervoeters hebben ooit de vingerachtige structuren gedeeld, waarna alleen de landdieren er iets moois van hebben gemaakt.' Einde bericht. Dat lijkt een heel wat pittiger duiding. Om zoiets te mogen bedenken zul je eerst wel in de hogere meetweet-riten geïnitieerd moeten zijn. Zaten die handvissen en viervoeters bij elkaar in het water en hadden ze daar iets manueels met elkaar gemeen zodat je op grond daarvan misschien van het delen van elkaars vingerachtige structuren zou kunnen spreken? Ging het dus om handvissen en co-biotope waterviervoeters? Wat een gedurfd postulaat! Hoe vurig inspireert Moeder Evolutie haar hogepriesters! Of zaten alleen de handvissen in het water en liepen de viervoeters net als alle andere viervoeters gewoon op het land? Wat deelden ze dan met elkaar behalve die vingerachtige structuren? Of knielde er af en toe een viervoeter aan de waterkant en gaf hij dan delenderwijs aan een deelgraag opstijgende handvis een van zijn vier handachtige voeten? Maar wat zou dat dan verklaren? Of kunnen we in onze gewone-menseneenvoud zulke dingen misschien beter simpelweg aannemen zoals ze ons worden voorgehouden?

Wat intussen te denken van mijn al maar verder krimpende armen en samengroeiende vingers, waarvoor ik me zo geneer dat ik niet alleen 's winters maar ook in het heetst van de zomer dag en nacht wanten draag met als gevolg dat ik dit stukje met mijn neus heb moeten optikken.

mailIcon print |