*

 
dossier

Archief

De omgang met het gebanaliseerde kwaad

JACQUES JANSSEN − 07/01/97, 00:00

Het heeft er lange tijd naar uitgezien dat de blijvende betekenis van de jaren zestig bestond uit een klimmende reeks van bevrijding en verlichting. Verlost van de kluisters van een duister verleden, kon de nieuwe mens in alle redelijkheid en zelfvertrouwen naar voren treden. Er waren er toentertijd slechts enkelen die doorzagen dat onder de oppervlakte van de revolutie een nieuwe religie, een nieuwe magie schuilging.

De mensen bleven zoeken achter de werkelijkheid. Terwijl de wetenschap voortbouwde aan het verlichtingsproject zochten zij een weg terug in oude culturen, verre religies en vreemde gebruiken. Het kost weinig moeite over Jomanda ridiculiserende opmerkingen te maken. Maar in alle culturen en tijden zoeken de mensen voordeel en gezondheid. Hun streven is daartoe echter niet beperkt, het gaat ook om de omgang met het kwaad dat ze overkomt.

In het christendom zijn de duivel en de hel de bron van alle ellende. De duivel is de eerste afgunst van waaruit alle kwaad is voortgekomen. Van oudsher werden de kwellingen van de hel in afschrikwekkende bewoordingen en angstaanjagende taferelen geschilderd. Hel en duivel vormen een continue bedreiging voor de mens: de mens kan door het kwaad worden gegrepen en meegesleurd in de diepe put waar hij voorgoed voor zijn zonden moet boeten. In Ierland gaan jaarlijks duizenden Ieren naar een grot gelegen op een eiland in het meer van Lough Derg - symbool voor het vagevuur. Gedurende drie dagen kruipt en loopt men er barrevoets rond. Er wordt een eindeloze reeks gebeden opgezegd en 36 uur lang mag men niet slapen.

De Nederlandse katholieken - ik kan daar nog over meepraten - hebben hun eigen Lough Derg gekend: in de zee van hun eigen ziel, op het barre eiland van hun geweten. Veel effectiever dan het eiland Lough Derg, dat het kwaad beeldend externaliseert, werden we door een niets ontziend Über-ich, door een Inquisitie van binnenuit geterroriseerd. De mensen moesten hun ziel verkopen voor hun zaligheid. De biechtstoel was een centrale plaats: een wisselkantoor waar tegen betaling van penitentie zonden werden omgezet in een kaartje voor de hemel. Het constante dreigen met hel en verdoemenis overschaduwde het leven van velen.

Dat de angst voor de hel de mensen tegenwoordig niet langer als het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt, is een bevrijding van formaat. Bij dit alles moeten we ons echter goed bewust blijven dat van persoonlijke prestaties nauwelijks sprake kan zijn. De afschaffing van de hel is het resultaat van een geleidelijk cultuurproces dat ons allen overvalt, ook al menen we dat we het zelf bedacht hebben. In de publieke opinie van vandaag zijn de duivel en de hel alleen nog interessant voor zaterdagbijlagen, tentoonstellingen en jeugdcultureel kinderspel. Een weldenkend mens trapt er niet meer in. De hel bestaat niet en wie er over begint wordt verwezen naar de donkere Middeleeuwen.

De duivel kanker

De mediëvist Herman Pleij heeft er echter op gewezen dat de infantilisering van overwonnen gedachtegoed vaak te gemakkelijk en te ondoordacht geschiedt. Men dient zich te realiseren, zo zegt hij, dat de duivel “de benoeming is van anders onverklaarbare bedreigingen die men pas door ze een naam te geven, kan bestrijden. Dan kan men de duivel in onze tijd gerust vervangen door 'kernenergie', 'milieuverval', 'kanker', 'aids'. Het zal nog lange tijd duren voor er een nageslacht is dat deze nog lang niet te verklaren aanslagen op de mens als kinderachtig zal typeren.” “Door de afgunst van de duivel is de dood in de wereld gekomen,” zo luidt een oude bijbelse wijsheid. Dat verandert niet als we de duivel de dood verklaren.

Van de duivel verlost te zijn is een ware bevrijding. Maar zoals na elke bevrijding volgt al snel de ontnuchtering: elke tiran schept ook duidelijkheid. De duivel en zijn hel waren niet alleen een constante bedreiging voor ieder persoonlijk, maar ze gaven bovenal het kwaad een plaats. De vraag is dan ook hoe wij, moderne mensen, zonder de hulp van de duivel, omgaan met het kwaad. Zoals Han Fortmann het formuleerde: “Het is goed in de duivel te geloven, maar wij weten niet recht meer waar hem te plaatsen.” De gewone gelovige is opgelucht omdat hij of zij zich niet langer persoonlijk bedreigd voelt, maar de ontgoocheling ligt om de hoek omdat het kwaad geen plaats meer heeft. Bij Dante nog wel. De hel van Dante is voor alles een monumentalisering van het kwaad: de duivel, die in het centrum van de hel zit, heeft de omvang van het Empire State Building. De Hel als encyclopedie van wat niet deugt. In alle soorten en maten worden de menselijke tekortkomingen aan de kaak gesteld. Ze staan uitgestald in de prijzenkast van het kwaad. De boodschap is: eens komt de dag waarop wordt afgerekend, waarop de bokken en de schapen gescheiden worden. Het mag lang duren, maar eerlijkheid duurt het langst.

Met de bevrijding van de angst is deze dubbele functie van de hel verloren: het ultieme kwaad wordt niet meer aan de kaak gesteld en het wordt niet meer vergolden. Daar hebben we niet aan gedacht. En daar staan we dan, niet langer bang in het donker, maar misschien meer dan ooit bevreesd om al wat het daglicht niet verdragen kan? Het kwaad staat in onze cultuur niet langer op de console die Dante ervoor reserveerde. Het heeft zijn perspectief op de eeuwigheid verloren. Het is gebanaliseerd tot wat menselijk, al te menselijk en alledaags is. Wie eronder lijdt, kan er zich niet op laten voorstaan.

Want wat doen mensen tegenwoordig, als hun oneindig kwaad geschiedt dat onbegrijpelijk is en ongewroken blijft? Welke mogelijkheden zijn ons gebleven en wat zijn de beperkingen? De eerste mogelijkheid, gegeven de onttovering van het kwaad, is die van de moderniteit. Het voormalige vertrouwen in de hemel wordt dan geheel in de mens en de samenleving gelegd. We moeten proberen het justitiële systeem te vervolmaken. Elke minister van justitie is tot dit vertoog veroordeeld. De mensen in de straat eisen de volmaaktheid van het systeem of stapelen vurige kolen op het hoofd van wie verantwoordelijk wordt gehouden voor de onvermijdelijke onvolmaaktheid ervan. De mensen zoeken schuldigen onder elkaar. Niet in bovennatuurlijke wezens zoals eens het christendom, maar in personen. Daarmee creëert de moderniteit tenslotte haar eigen zwarte magie, haar eigen heksenjacht. Wat in eerste aanleg zo rationeel en vanzelfsprekend lijkt, blijkt bij nadere beschouwing niet zelden uit te lopen op massale hysterie.

Uit de psychologie is bekend dat mensen bij ongeluk bij voorkeur naar de ander wijzen: het kwaad wordt geëxternaliseerd. Succes daarentegen, zo blijkt uit talloze experimenten, herleiden wij bij voorkeur tot onszelf. Het verhoogt ons gevoel van zelfrespect en draagt bij tot een zinvol leven. Deze gedachte staat centraal in de new age-filosofie. Deze indrukwekkende hedendaagse poging de religie opnieuw uit te vinden, biedt een alternatieve manier om het kwaad zin te geven. Het is een blije religie volgens welke de mens alleen goed is en waar hij nog beter van wordt. De heilzaamheid van gedeelde illusies is in diverse psychologische onderzoekingen aangetoond: het leven is een vroom bedrog. Wie daar niet aan toegeeft is veroordeeld tot depressiviteit.

Leed als eigen schuld

De psychologie en de nieuwetijdse filosofie sporen op tal van punten. De sociologen zijn van hun priesterlijke pretenties genezen, maar de psychologen werken onbekommerd aan de religie van de moderne mens. De nieuwetijdse mens gelooft in zichzelf en zijn mogelijkheden.

Het sterke punt van new age ligt in de nadruk op de persoonlijke verantwoordelijkheid. In traditionele religies wordt die vaak afgeschoven op hogere instanties en anonieme krachten; het kwaad wordt gedemoniseerd. Maar in dat sterke punt ligt ook de zwakte: volgens de nieuwetijdse filosofie hebben mensen hun lijden aan zichzelf te wijten.

Tegenover de korte wegen van moderniteit en new age om het kwaad een plaats te geven, staat de lange weg: het geloof dat de mens het heil niet rechtstreeks hier op aarde kan verwerven. Dergelijk streven leidt tot overmoed, tot dol-dwaas vluchten. Alleen via een lange tocht, strompelend en na een leven vol ontbering mag de mens hopen op de hemel. Zo blijft ons de omweg. Die begint voor mij bij de melancholie die ontstaat uit het besef dat de andere wegen onbegaanbaar zijn. Ik wil het niet mooier maken dan het is. Het is een melancholie die soms grenst aan cynisme en onverschilligheid. Het kwaad en het lijden zijn zo banaal en onzinnig als de dood. En al even onvermijdelijk. Wie daar niet depressief van wordt, heeft geen hart of geen verstand.

Durkheim heeft het probleem waar we voor staan tot de kern herleid. Waar de moderne psychologie de depressie wegwuift en tracht te vervangen door een heilzame illusie, maakt hij haar tot uitgangspunt. Wat dan blijft is medelijden, compassie. Ook dat vereist vormen van magisch handelen: dat wil zeggen woorden vinden als we niet weten wat te zeggen, gebaren als we niet weten wat te doen, gedachten als we niet weten wat te denken. Complexe handelingen die niet effectief lijken te zijn maar waar geen alternatieven voor bestaan. Zo wordt de bezoeker geacht de absolute stilte die op het kerkhof Boedapest heerst, te doorbreken door een klok te luiden. Een zinloos gebaar. Maar je doet het wel, al hoort niemand het. Het drukt protest uit tegen de moord op degenen die er liggen - slachtoffers van de Hongaarse opstand van 1956.

Allerwegen zoeken mensen naar rituelen, niet alleen in kerkelijk verband. Ze zoeken handelingen voor als ze niet weten wat te doen, woorden als ze niet weten wat te zeggen. Placebo's. Maar men moet bedenken dat het woord placebo is afgeleid uit het begin van de Antifoon Placebo Domino, genomen uit psalm 114. Het is de eerste tekst die gezongen werd en wordt na het overlijden. “Ga maar placebo zingen”, zei de middeleeuwse arts, met een hopeloos gebaar omdat zijn werk klaar was; niet beseffend dat het belangrijkste werk daarmee nog beginnen moet.

mailIcon print |