*

 
dossier

Archief

Niet melden euthanasie moet onbehoorlijk worden

WILFRIED VAN DER BLES; RUUD VAN HEESE − 22/01/97, 00:00

DEN HAAG - 'Openheid' en 'toetsbaarheid' waren de voortdurend terugkerende woorden in het betoog waarmee minister Sorgdrager (D66) gisteren het kabinetsstandpunt over de meldingsprocedure euthanasie uiteenzette. De minister van justitie deed dat uitvoerig, daarbij geduldig aangehoord door haar collega en partijgenote Borst van volksgezondheid.

Sorgdrager en Borst stuurden de Tweede Kamer gisteren een brief met de conclusies die het kabinet trekt uit de resultaten van een grootscheeps onderzoek naar de werking van de meldingsprocedure euthanasie. Dat onderzoek, waarvan de resultaten eind november werden gepresenteerd, leerde dat de bereidheid onder artsen om een geval van euthanasie of hulp bij zelfdoding conform de regels te melden nog niet erg groot is. Veelal geeft daarbij de angst voor strafvervolging de doorslag, ook als de arts ervan overtuigd is dat hij zorgvuldig heeft gehandeld.

Enkele cijfers. In 1995 werd in 3 200 gevallen een verzoek om euthanasie ingewilligd en in 400 gevallen hulp bij zelfdoding geboden. In 41 procent van de gevallen werd dat ook gemeld. Dat was weliswaar aanzienlijk meer dan in 1990, toen het percentage meldingen op 18 stond. Maar dat neemt niet weg dat nog altijd in bijna 60 procent van de gevallen een arts het niet meldt als hij euthanasie toepast of hulp bij zelfdoding biedt.

“We zijn wel op de goede weg, maar we zijn er nog lang niet”, concludeerde Sorgdrager gisteren dan ook. “De meldingsbereidheid is nog lang niet groot genoeg. 41 procent is écht te weinig. De maatschappelijke controle moet groter. Openheid, toetsbaarheid, dáár gaat het om. Met 40 procent is dat doel nog niet bereikt.”

De minister: “Bij een beslissing tot levensbeëindiging moet altijd openheid worden betracht en altijd een toetsing plaatshebben. Een arts die meent dat zijn handelen niet getoetst hoeft te worden, kan bij mij niet op erg veel begrip rekenen. Ik hoop dan ook dat de bereidheid onder artsen om gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding te melden zo omhoog gaat, dat het onder medici not done wordt om niet te melden.”

Begrip

Een beetje begrip voor de drijfveren van artsen om niet te melden heeft de minister wel. De dreiging van strafvervolging is volgens haar weliswaar voor een belangrijk deel 'gevoelsmatig'. Maar: “Strafrechtelijke toetsing is in haar aard zwart/wit. Er heeft wel of geen strafvervolging plaats. En er wordt al snel een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld. Dat heeft gigantische gevolgen voor een arts. Hij geldt dan als verdachte, hij wordt als zodanig ingeschreven, en hij moet een advocaat in de arm nemen. En in de meeste gevallen blijkt later dat de arts zeer zorgvuldig heeft gehandeld.”

Het kabinet denkt deze bezwaren te ondervangen door enkele wijzigingen aan te brengen in de procedure. De kern van die veranderingen: het openbaar ministerie wordt meer op afstand geplaatst - door het instellen van toetsingscommissies -, en er komt een strikte scheiding tussen levensbeëindiging op verzoek enerzijds (euthanasie, hulp bij zelfdoding) en levensbeëindigend handelen anderzijds.

Voor het beoordelen (achteraf) van gevallen van levensbeëindiging op verzoek willen Sorgdrager en Borst een aantal regionale toetsingscommissies instellen. Daarin zitten artsen, juristen en ethici. Zo'n commissie krijgt de zaak voorgelegd door de gemeentelijke lijkschouwer, bij wie de arts de euthanasie of hulp bij zelfdoding heeft gemeld.

De commissie oordeelt of de arts al dan niet zorgvuldig heeft gehandeld en stuurt dat oordeel naar de betreffende arts en naar het openbaar ministerie. Als de commissie vindt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, zal het openbaar ministerie als regel afzien van strafvervolging. Als het vindt dat het zwaarwegende redenen heeft om toch te vervolgen, moet het college van procureurs-generaal daarover beslissen, met instemming van de minister van justitie.

Sorgdrager denkt dat dat niet zo snel zal gebeuren. “Als je bij de rechter 2komt met het advies van die commissie van deskundigen, die vindt dat er geen aanleiding is om te vervolgen, dan moet je als openbaar ministerie wel van zeer uitzonderlijke huize komen, wil je een zaak hebben”, aldus de minister. Ze hoopt dat de nieuwe meldingsregeling dit najaar van kracht kan worden.

Een hindernis die daarbij nog moet worden genomen is de samenstelling van die commissies. Sorgdrager: “We moeten de leden op dezelfde manier opleiden. De commissies moeten frequent contact hebben, zorgen dat ze op één lijn blijven. We moeten er ook voor zorgen dat we niet commissies van bepaalde richtingen krijgen. Daar zijn we nog niet klaar mee. Dat is best lastig.”

Wilsonbekwamen

Daarnaast wil het kabinet een aparte regeling in het leven roepen voor levensbeëindiging zonder dat de patiënt daarom heeft gevraagd. Het gaat hier om zogenoemde wilsonbekwamen, mensen die niet in staat zijn om hun wil te uiten: pasgeborenen, zwaar dementen en mensen die in coma liggen. Levensbeëindiging zonder verzoek mag volgens het kabinet eigenlijk helemaal niet voorkomen. Niettemin: het kabinet kan zich voorstellen dat het in bepaalde situaties toch gebeurt. Maar de arts moet zich dan wel realiseren dat hij hierbij minder zekerheid heeft dat strafvervolging uitblijft.

Zulke gevallen van levensbeëindiging moeten worden voorgelegd aan een centrale beoordelingscommissie, die per zaak van samenstelling kan verschillen. Die commissie brengt een zwaarwegend oordeel uit over het handelen van de arts. De zaak wordt vervolgens besproken door het college van procureurs-generaal. Die besluiten dan, met instemming van de minister van justitie, of strafvervolging wordt ingesteld. Deze meldingsprocedure hoopt het kabinet nog voor het einde van de kabinetsperiode te kunnen laten ingaan. Eerst wil het nog wachten op enkele rapporten.

Sorgdrager maakte gisteren nog eens duidelijk dat wat haar betreft euthanasie niet uit het wetboek van strafrecht wordt geschrapt. Wel valt er met haar op termijn te praten over een wijziging van de formulering van de betreffende artikelen in het wetboek van strafrecht. Levensbeëindiging, ook op verzoek, blijft dan in principe wel strafbaar. “Maar ik kan me voorstellen, dat er dan rechtvaardigingsgronden worden opgenomen voor artsen”, aldus de minister.

Op dit moment acht het kabinet het echter nog te vroeg om het wetboek van strafrecht te wijzigen. Het percentage meldingen ligt nog te laag. De meldingsprocedure (ingevoerd in 1994) is nog betrekkelijk nieuw. De palliatieve zorg (pijnbestrijding bij en verzorging van mensen bij wie geen genezing meer mogelijk is) moet eerst nog worden verbeterd. Het fenomeen 'euthanasieconsulenten' moet nog van de grond komen.

En bovenal: “De maatschappelijke discussie is nog niet afgerond”, aldus minister Sorgdrager. “De acceptatie van euthanasie is er wel in bepaalde vorm. Maar er is wel nog discussie over vragen als: hoever kun je gaan en is er voldoende openheid en toetsbaarheid? Euthanasie heeft nog niet een zo stabiele plaats gekregen dat je het wetboek van strafrecht nu al kunt aanpassen.”

mailIcon print |