*

 
dossier

Archief

Een vrouw en een kip is de pest op een schip

COLET VAN DER VEN − 22/01/97, 00:00

Geboren vóór, in of kort na de eerste wereldoorlog, een leven waarin kerk en godsdienst een rol speelde die met de jaren veranderde, soms radicaal of meer dan eens. 'De dagen onzer jaren zijn zeventig jaar of als wij zeer sterk zijn tachtig jaar; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet,'' weet de psalmist. Wat zegt de 'zeer sterke' er zelf van? Vandaag de éénentwintigste aflevering: Piet Hazenberg (80), schipper, hervormd.

Mijn vader had meer grove uitdrukkingen: 'Achteraf kijk je de koe in de kont', wat zoveel betekende als: 'achteraf heb je goed praten'. Hij kwam van het Hogeland en had, net als mijn moeder, een natuurlijke intelligentie. Hij was maar twaalf weken op school geweest maar je hoefde hem niets voor te rekenen. Hij was soms hard - als tijdens het aardappels schillen de schil knapte moesten we die eten - maar vooral rechtschapen. En een overtuigd en nuchter christen, ruimhartig hervormd. Zo was zijn beste vriend een roomse schipper met wie hij hetzelfde vaarwater bevoer. Hij had weinig op met het christensoort dat de ene minuut de psalmen bulderde zodat de lampen van het plafond donderden en je de volgende minuut belazerde waar je bij zat.

Hij was consequent. Voer zoals de meeste schippers niet op zondag. De enkeling die het in zijn hoofd haalde om dat wel te doen gooide schijnheilig een kleed over de boeg zodat je de naam van het schip niet kon lezen. Alsof God niet door het kleed heen kon kijken.

Mijn ouders vonden het belangrijk dat wij een behoorlijke opleiding kregen. Als we aan wal lagen bezochten we de plaatselijke school; vanaf mijn tiende zat ik op een christelijke kostschool voor schipperskinderen die geleid werd door ongetrouwde vrouwen, een soort diaconessen.

Er waren een hoop aardige tussen maar ook een stel van die ouwe vrijsters die een mislukte aanloop in het leven en in de liefde hadden gehad en dat niet te boven waren gekomen. Het was een hard regime, we maakten lange dagen maar leerden meer dan de jongens van de wal.

Van mijn dertiende tot mijn negentiende ben ik als lichtmatroos bij mijn vader in dienst geweest. Dat was aanpakken geblazen. Schilderen, schrobben, bikken, schuren. Het lag in de lijn dat ik schipper zou worden maar de momenten dat ik zeeziek was, vroeg ik me weleens af of archeologie geen betere keus zou zijn, dat leek me een mooi vak. Ik ben toch maar naar de zeevaartschool gegaan, stuurman op de handelsvaart geworden en op mijn tweeëntwintigste kapitein. De route liep naar het westen in plaats van het oosten, naar Engeland en Ierland, maar zee is zee en banken zijn banken.

Toen we op een dag in Liverpool lagen te wachten op orders kregen we het bericht leeg terug varen. Er stond een harde zuidwestenwind, het schip lag hoog op het water, stampte, danste, bonkte. We besloten te schuilen onder de hoek van Cornwall. Daar hoorden we, het was 3 september, dat de oorlog was uitgebroken. We zijn naar Vlissingen gevaren en ik ben in dienst gegaan. Fort Pannerden - ik heb daar nog wandschilderingen gemaakt - en de politiepost van de marine in Den Helder.

In die tijd heb ik belijdenis gedaan. Mijn familie juichte dat toe en ik vond het goed om aan te geven dat ik geen heiden was, al durfde ik mezelf het stempel christen niet te geven. Ik moest nog bewijzen dat ik het waard was.

Tien mei, 4 uur 's nachts, we lagen in onze hangmat, stormde de commandant de zaal op in wapenrusting: 'Jongens, het is oorlog'. Wij als een gek in de kleren en naar buiten. Groot gejuich toen er een Duits vliegtuig naar beneden werd gehaald. Wisten wij veel dat ze nog vijfduizend van die dingen in de lucht hadden. Na de capitulatie ben ik twee weken bij de hulppolitie gebleven en vervolgens naar huis gegaan.

Ik had toen de keuze uit verschillende mogelijkheden: naar Duitsland, onderduiken of voor de verkeerde kant varen. Mijn vader weigerde dat laatste en zijn schip is gevorderd. Mijn broer en ik hebben het wel gedaan. In '43 liep mijn broer met zijn schip op een mijn in de Oostzee. Hij was op slag dood. Na die gebeurtenis raakte mijn familie in rep en roer, bang dat mij hetzelfde zou overkomen. Nu voer ik toevallig een keer op een schip dat niet als prijsschip maar als wrak stond genoteerd en dus niet onder de Duitsers viel. Ik ben met dat schip naar Zweden afgereisd en niet meer teruggekeerd. Heb me als vluchteling laten registreren en vond een baantje als bordenwasser in een hotel-restaurant. In datzelfde hotel werkte een Noorse vluchtelinge als kamermeisje. Ze was over de bergen naar Zweden geskied en ik werd tot over mijn oren verliefd op haar. Er viel alleen weinig met 'r te beginnen want ze had al een vriend. Omdat ik gek werd van die verliefdheid ging ik op zoek naar een baan wat verder uit haar buurt. Ik kwam terecht op een kantoor van de Nederlandse Legatie waar de verhalen van vluchtelingen werden doorgelicht op feiten om te zien of ze in aanmerking kwamen voor registratie. Tegen het eind van de oorlog arriveerden de slachtoffers van de concentratiekampen: jodenmensen, mensen uit het verzet, in lompen, zakken, vermagerd tot op het bot, vaak het volkslied zingend. Om tranen in je ogen van te krijgen. Ik heb dat werk met veel liefde gedaan.

Na de oorlog ging ik terug naar Nederland en werd weer kapitein. Op een dag vroeg een bevriende tandarts me of ik zijn assistente en een vriendin niet eens mee kon nemen op een reis. Ik had mijn twijfels. Niet voor niks luidt het gezegde: 'Een vrouw en een kip is de pest op een schip'. De hele bemanning zou natuurlijk verliefd worden op die twee, maar ik ben toch gezwicht. In het begin vonden de dames me een boeman maar langzaam brak het ijs en op een gegeven moment had ik twee armen om mijn nek en was het zoenen geblazen. Het waren de armen van Hennie, de assistente. Ik had me nooit eerder aan vrouwen bezondigd maar was inmiddels wel op gevorderde leeftijd en toe aan een huwelijk. Nu had ik een ziekte opgelopen die het misschien onmogelijk zou maken dat ik ooit kinderen zou krijgen. Hennie wist dat maar zat dag in dag uit naast mijn bed in het ziekenhuis. Voor mij was die trouw reden om met haar verder te gaan. Zo verliefd als op dat Noorse meisje was ik niet; als je jong bent zijn die gevoelens nu eenmaal heftiger. Hennie was meer een grote vriendin, een goede kameraad. Dat is ook beter want verliefdheid gaat over, kameraadschap niet.

Ik had onder meer een vaste dienst tussen Marokko en Frankrijk en zij voer altijd met me mee. Toen de kinderen kwamen - twee dochters en twee zoons - hebben we een huis aan de wal gekocht. Een van de jongens was het kind van de broer van mijn vrouw, ook een schipper. Tijdens een zeestorm in de golf van Biscaye, op weg van Italië naar Engeland zijn hij en z'n vrouw overboord geslagen en verdronken. Hun zoontje dat in de kajuit lag te slapen bleef ongedeerd en is bij ons in het gezin gekomen.

Mijn vrouw was rooms, maar een nuchtere roomse, zoals ik zelf nogal nuchter hervormd ben. We gingen de ene week naar haar kerk, de andere naar de mijne. Ze hield van stevige preken. De pastoor zei altijd: 'Bij Hennie moet je niet aankomen met het gerammel van de ketenen van de hel, maar met argumenten'. We hebben de kinderen hervormd gedoopt maar wilden ze verder zelf laten kiezen. Ze hebben niks gekozen. Jammer, maar misschien is dat eigen aan een gezin met twee geloven.

In '78 is Hennie na een ziekteproces van vijf jaar aan kanker overleden. Het was moeilijk om te zien hoe ze aftakelde, ze was zo'n mooie vrouw. Ze kreeg een hersenbloeding waardoor ze verlamd raakte en niet meer kon praten. Vreemd genoeg heb ik nooit geloofd dat ze dood zou gaan. Had ik dat maar wel geloofd, dan zou ik zoveel meer met haar besproken hebben. Daar heb ik nog altijd spijt van.

Na Hennies dood heb ik lang gedacht dat ik haar ooit terug zou zien. Misschien omdat ik haar nog steeds om me heen voelde. Als ik een brief kreeg was het alsof ze over mijn schouder meelas. Ach, misschien beeldde ik het mezelf maar in. Ik heb geprobeerd alles zo veel mogelijk in Hennies stijl te houden. Als ik iets wil veranderen, overleg ik altijd even in gedachten. Weet je, ik begrijp het niet. Sommige echtparen gunnen elkaar het licht in de ogen niet maar vieren het ene jubileum na het andere en ons goede huwelijk wordt voortijdig afgebroken.

De jongste was zeventien toen ze stierf. Ik moest maar zien haar door de puberteit te loodsen en op het goede pad te houden maar ik was natuurlijk kapitein.

In het begin runden de kinderen het huishouden want ik zat op zee. Er moest brood op de plank komen. Toen stortte de hele scheepvaart in en ik stortte mee. Noodgedwongen verkocht ik mijn schip en kwam in de WW terecht. Vanaf dat moment ben ik voor de kinderen gaan zorgen.

Ik heb nooit willen hertrouwen. Het had gekund, er was iemand die veel van me hield, maar ik was toch huiverig. De gedachte dat ze op dezelfde stoel zou zitten als Hennie, haar spullen zou gebruiken. . . nee. Kennissen hebben me nog wel eens aan de vrouw willen helpen. Kwam ik op bezoek, zeiden ze: 'Ga jij maar naast haar zitten, zij is ook eenzaam'. En misschien was het wel een aardig mens maar dan zag ik tien worstevingertjes en dacht: 'Piet, begin er niet aan. Je hebt haar sneller ín je huis dan eruit'.

Natuurlijk is het soms eenzaam. Aan boord heb ik daar nooit last van gehad maar thuis voel ik die lege plek. Ik zit af en toe gewoon tegen mezelf aan te kletsen. Mijn geloof heeft me wel geholpen. Ik lees iedere dag in de Bijbel aan de hand van een scheurkalender - dan heb je een aanloopje - en probeer te bidden. Bidden is moeilijk hoor. Gunst nog an toe. Om contact te krijgen. . . Als dat lukt dan zie ik iemand. Ik bid met de ogen open. Met dichte ogen kan ik het niet. En tot Jezus, hem kan ik makkelijker bedanken dan God, want hij is toch voor ons aan het kruis gestorven. Jezus is God, oké, God is Jezus, oké, maar in het bidden hou ik ze een beetje gescheiden.

Ik heb een klein vriendinnetje dat me iedere dag een kusje komt geven. Vorige week zei ze tegen me: 'Oom Piet, ik wil met je trouwen'. Ik reageerde: 'Lieverd, voor het zover is ben ik al dood hoor'. Ze keek me aan: 'En kom je dan in de hemel?' Ik antwoordde haar dat ik het hoopte, maar in mijn binnenste geloof ik het ook. Nu ik zelf met een been in het graf sta, ben ik me meer voor het hiernamaals gaan interesseren. Mijn vrouw zei altijd: 'Het maakt niet uit hoe je in de hemel komt, als je er maar komt'. Ik heb het idee dat we er allemaal komen. Ik ga af op wat daar in de Bijbel over staat geschreven. Als Jezus zegt dat het hiernamaals een heerlijkheid is dan is dat natuurlijk waar. Dan is er geen hel, daar hoef je verder geen probleem van te maken. Hoogstens neem je zelf de hel mee. Krijg je wat je hier niet hebt opgelost in het hiernamaals op je brood. Daarom moet je schoon schip maken, iedere dag opnieuw.''

mailIcon print |