*

 
dossier

Archief

Slachtoffer bij strafproces is redelijk beschermd

WOUTER JAN SPEK − 10/01/98, 00:00

In Trouw van donderdag 8 januari pleit Daniël van den Bos op Podium in een gloedvol en vlot geschreven betoog voor een commissie ter herziening van het Nederlandse strafrecht.

Van den Bos vermeldt dat in het Nederlandse strafproces weinig aandacht voor de slachtoffers is. Daarin heeft hij gelijk. De zaak ligt echter genuanceerder dan hij doet voorkomen.

De laatste jaren is er juist gepleit voor meer aandacht voor de slachtoffers. Deze aandacht heeft geleid tot de Wet-Terwee. Deze wet maakt het mogelijk voor slachtoffers, indien zij een eenvoudige, civielrechtelijke vordering op de verdachte hebben, zich in het strafproces te voegen. Als deze vordering wordt toegewezen, incasseert het Openbaar Ministerie voor de slachtoffers de door de rechter toegewezen schadevergoeding.

Een andere ontwikkeling is dat het Openbaar Ministerie initiatieven heeft ontwikkeld om slachtoffers beter op de hoogte te houden over het verloop van de strafrechtelijke procedure. Daarnaast heeft het slachtoffer of een andere belanghebbende de mogelijkheid om bij het Hof een klacht wegens niet-vervolging in te dienen, als de verdachte niet vervolgd wordt.

Als strafrechtjurist is Van den Bos ongetwijfeld op de hoogte van deze feiten. Door deze feiten niet te noemen roept hij wel een onjuist beeld op. Maar waarschijnlijk meent hij dat deze ontwikkelingen niet voldoende recht doen aan de slachtoffers. Hij pleit alleen voor een grotere rol van de slachtoffers in het strafproces om meer recht aan hen te doen. Het is jammer dat hij niet aangeeft hoe die grotere rol in het strafproces dan vorm zou moeten krijgen. Hij pleit slechts voor een herziening van het strafrecht (hij bedoelt waarschijnlijk herziening van het strafprocesrecht).

Ook wijst Van den Bos niet op het feit dat het voor veel slachtoffers emotioneel juist uiterst belastend is om ter terechtzitting weer met de daders geconfronteerd te worden. Met name voor slachtoffers van zedendelicten is dit een heel zware opgave. Hun verklaringen worden bij de politie of bij de rechtercommissaris afgelegd. Deze verklaringen kunnen als bewijs worden gebruikt en tegelijkertijd wordt de slachtoffers een emotionele confrontatie bespaard.

Alanya

Van den Bos schrijft dat in het proces in het Turkse Alanya de slachtoffers tegenover de daders stonden. Hij ziet echter over het hoofd dat ook daar de Officier van Justitie de eisende partij was en de slachtoffers als getuigen werden gehoord. Dat verschilt niet met het Nederlandse strafproces.

Van den Bos stoelt zijn oproep tot een grondige herziening van het Nederlandse strafrecht op één zaak in Turkije. In het proces-Tjoelker tegen de verdachten in Leeuwarden heeft het Openbaar Ministerie niet de handigste tenlastelegging opgesteld (zie het commentaar van advocaat Anker en prof. Knigge in Trouw van januari). Bovendien krijgt deze zaak in hoger beroep nog een vervolg.

Om op basis van één Turkse en één Nederlandse strafzaak, die nog niet afgerond is, de conclusie te trekken dat het strafrecht grondig herzien moet worden, getuigt eerder van een slechte vorm van retoriek dan van een heldere en doordachte redenering.

Tot slot nog iets over het Turks rechtssysteem. Men hoeft geen strafrechtjurist te zijn om in te zien dat het Turkse rechtssysteem niet het fraaiste is dat de wereld kent. Wie pleit voor meer aandacht voor slachtoffers en meent zijn excuses aan het Turkse rechtssysteem te moeten maken, dient ook aandacht te schenken aan de talrijke slachtoffers van de, bijna stelselmatige, mishandelingen in Turkse politiecellen. Dan zijn excuses aan en aandacht voor de slachtoffers van dat geweld ook op zijn plaats.

mailIcon print |