*

 
dossier

Archief

'Naar Castro-achtige toespraken blijft niemand luisteren'

HANS MARIJNISSEN − 08/01/98, 00:00

- Toen hij nog aan de Vrije Universiteit in Amsterdam werkte, was het al merkbaar. Sociaal-psycholoog A. van Leijenhorst zag dat rechten-studenten en die van de faculteit psychologie niet door één deur konden. Totaal verschillende types. Terwijl ze elkaar zo hard nodig hebben. Psychologie in de rechtszaal is uiterst belangrijk.

De koudwatervrees van juristen voor de 'softe' wetenschap is dan ook een van de grootste problemen die Van Leijenhorst komend jaar moet overwinnen. De advocaten moeten die drempel over. De sociaal-psycholoog heeft zich de afgelopen jaren gespecialiseerd in communicatietrainingen, en kwam in zijn werk in contact met advocaten. Die vroegen hem of hij hen niet kon helpen door meer op de rechtspraktijk toegespitste trainingen te geven. Ze liepen soms tegen knorrige rechters aan, of waren onzeker over hun pleidooi, of strandden wel eens in een getuigenverhoor. Kon Van Leijenhorst geen tips geven?

Op Internet stuitte hij vervolgens op een site van de American Society of Trial Consultants, die gespecialiseerd zijn in communicatietechnieken in de rechtszaal. En sinds kort is Van Leijenhorst de eerste Nederlandse advocatencoach, goedgekeurd door de Nederlandse orde van advocaten. Zijn bureau 'Rechtvaardig' biedt cursussen aan die juristen leren de psychologie als wapen te hanteren.

“Ik heb de Amerikaanse praktijk uitvoerig bestudeerd, maar heb moeten constateren dat deze niet past in de Nederlandse situatie”, zegt Van Leijenhorst. “Advocaten in de VS moeten een jury bespelen, en mogen er vaak een showtje van maken. In Nederland zou zoiets alleen maar irritatie opleveren. De rechters in ons land zijn veel ingetogener. Toch zijn elementen van de Amerikaanse aanpak wel degelijk zeer bruikbaar. Een advocaat moet een rechter zien te overtuigen, en aan de interactie tussen die twee is veel te doen.”

De afgelopen maanden heeft Van Leijenhorst vaak op de publieke tribunes in rechtszalen doorgebracht, en zag dat rechters tijdens een betoog van een advocaat in hun papieren bladerden en geen oogcontact maakten. “Op zo'n moment weet je dat je betoog niet terechtkomt bij degene die een vonnis moet vellen. Maar daar is wat aan te doen”, leert Van Leijenhorst zijn cliënten.

Op verzoek kan de sociaal-psycholoog een 'profiel' maken van een rechter die als 'lastig' of 'knorrig' te boek staat. Niet om die beschrijvingen allemaal in de computer te stoppen, en deze vervolgens voor een aardig bedrag van de hand te doen. Met het profiel van de rechter kijkt Van Leijenhorst naar de advocaat in kwestie, en analyseert wat er tussen die twee individuen fout gaat. Om daarna tips en trainingen te geven.

In zijn algemeenheid stelt Van Leijenhorst dat er zouteloos gepleit wordt; advocaten lezen hun juridische betoog voor zonder dat enige moeite is ondernomen om dit ook aantrekkelijk te maken. “De laatste zin van een pleidooi is nog net niet 'dit was het dan', maar het lijkt er vaak wel ontzettend veel op. Aan de betogen zit kop noch staart, terwijl je een verhaal ook met een vraag kunt beginnen, om dit met een antwoord te eindigen. De rechter moet als gesprekspartner worden gezien, een gesprekspartner die overtuigd moet worden. Nederlandse advocaten zijn te zeer tellers, terwijl ze sellers moeten worden.”

Van Leijenhorst gaat ervan uit dat 'het beste verhaal wint', zeker in de civiele praktijk van het kort geding, waar twee advocaten tegen elkaar pleiten en de voorzitter uiteindelijk moet kiezen. Een rechter beslist niet alleen op basis van juridische argumenten, ook op grond van subjectieve waarnemingen als lichaams- en gebarentaal. “Het is bijvoorbeeld belangrijk een voorzitter persoonlijk aan te spreken, hem aan te kijken en oogcontact te houden. Veel advocaten maken de fout tijdens een kort geding op elkaar te vitten, en een discussie onder vakbroeders te beginnen. Fout! De rechter is degene die straks beslist, dus het is zaak dat een advocaat zich altijd op de voorzitter richt.”

“Een advocaat moet proberen met de rechter mee te denken, hij zal moeten onderkennen dat een zaak twee kanten heeft, een dilemma vormt, dat er niet één waarheid is.” Zo ontstaat er verwantschap, contact met de rechtbank. De advocaat gaat ongemerkt even op de stoel van de rechter zitten, van waaruit hij kan proberen de voorzitter mee te voeren langs zijn argumenten, om vervolgens bij een voor hem gunstig vonnis te komen.

“Als je ook weet wat voor een interesses een rechter heeft, of wat voor een karakter, kun je daar ook op inspelen. Een wat filosofisch ingestelde rechter kan voorgelegd worden wat nu 'recht' is en wat 'redelijk en billijk'. Misschien gaat hij mee in de gedachte dat daarvan meerdere definities bestaan. Als de rechter oor heeft voor de stelling dat aan elke waarheid een achterkant zit, is de twijfel gezaaid. Het helpt misschien ook bij zo'n rechter een theekopje als hulpmiddel mee te nemen en in de lucht te houden, om de vraag te stellen: zit het oortje nu links of rechts? Maar bij een no-nonsenserechter hoef je met zulke vragen weer niet aan te komen. Die raakt alleen maar geïrriteerd. Onderzoek naar de persoon van de rechter blijft dus noodzakelijk.”

Als de advocaat weet dat de rechter een bepaalde hobby heeft, kan hij daar ongemerkt op inspelen door tussen neus en lippen een woordspeling te gebruiken die daar op slaat. “Het gaat te ver om voor een zeezeilende rechter te betogen dat een verdachte in deze maatschappij 'overboord' dreigt te vallen, maar er zijn legio beeldspraken die even een glimlach van herkenning ontlokken. Het teken dat er contact met de rechter is.”

Volgens Van Leijenhorst maakt de Nederlandse advocatuur te weinig gebruik van visuele hulpmiddelen, van foto's en sheets. “Als je weet dat van alles wat de mens oppikt, maar 20 procent uit woorden bestaat en de rest uit andere waarnemingen, is het toch vreemd dat in de rechtszaal alleen uren van woorden tot een gunstig vonnis moeten leiden. Nederlandse rechters zijn allergisch voor show, maar er bestaan vele ongebruikte hulpmiddelen die een betoog kunnen versterken.”

Hoewel Van Leijenhorst zich richt op advocaten (“Je moet nu eenmaal kiezen.”) zou hij met zijn kennis ook officieren van justitie kunnen helpen die met een requisitoir van acht uur “Castro-achtige toespraken” houden waar niemand naar kan blijven luisteren. Het openbaar ministerie kampt natuurlijk met precies dezelfde problemen, misschien ook wel met dezelfde weerstanden tegen psychologische ondersteuning. Van Leijenhorst: “Bij advocaten word ik inmiddels gedoogd, al zal niemand van de daken schreeuwen dat die man achter in de rechtszaal de 'begeleidend psycholoog' is.”

mailIcon print |