Het debat over de uitvoering van ontwikkelingssamenwerking wordt vaak gevoerd aan de hand van tegenstellingen. Gebonden of ongebonden hulp? Doen de 'tijgers' het zónder hulp niet beter dan de arme landen mét hulp?
Het huidige kabinet heeft niet de tegenstelling, maar de samenhang centraal gesteld en heeft gezocht naar een manier om economische en ontwikkelingsdoelstellingen te verenigen. Ik ben ervan overtuigd dat deze nieuwe beleidsvisie op hulp en handel een bijdrage levert aan de oplossing van ontwikkelingsvraagstukken, zonder af te doen aan doelstellingen van armoedebestrijding.
Wat de komende kabinetsperiode betreft pleit ik voor een forse uitbreiding van het budget voor economische samenwerking met ontwikkelingslanden, met inschakeling van het Nederlandse bedrijfsleven. Dit kan bekostigd worden uit de groei van het budget voor Ontwikkelingssamenwerking van 0,8% tot 1,0% van het BNP.
Het nieuwe beleid is een antwoord op de ontwikkelingen in de wereldeconomie sinds het einde van de Koude Oorlog. Steeds meer landen komen in een overgangsfase naar een open economie waarin particulier initiatief meer kans krijgt.
De kiem voor de nieuwe benadering is gelegd in Oost-Europa. De hulp voor Midden- en Oost-Europa na de val van de Muur, was gebaseerd op de idee dat die landen ook iets te bieden hebben. Ondanks de deplorabele toestand waarin de meeste economieën in 1990 verkeerden, waren het in potentie groeimarkten. Investeringen in die markten zouden leiden tot groei van productie dáár, maar zouden ook bedrijven hier verzekeren van een voet aan de grond in een groeiende afzetmarkt.
Wederzijds voordeel
De overheid heeft investeringen van Nederlandse ondernemingen in Midden- en Oost-Europa gestimuleerd. Zeven jaar verder zien we positieve resultaten. Nederlandse particuliere investeringen zijn gegroeid van 0 tot ruim 7 miljard. Alle betrokken economieën vertonen een groei en een aantal landen is zelfs toetredingskandidaat voor de Europese Unie. De Nederlandse handel met deze regio is meer dan verdubbeld.
Dit beleid en de behaalde resultaten dienen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden, overgebracht te worden naar andere regio's.
Ondersteuning van de opkomende economieën is in het belang van die landen én dient het Nederlands belang. Door naast het lokale particulier initiatief, particulier initiatief uit Nederland in te zetten, wordt de positieve ontwikkeling verder versterkt en wordt een wederzijds voordeel gediend. Voor mij als sociaal-democraat, gaat het dus niet om de handel alleen. Ik zie handel en investeringen als middel om de welvaart in armere landen te bevorderen, om stabiliteit na te streven en ongelijkheid op te heffen.
Vooral investeringen kunnen bijdragen aan het bereiken van die doelstellingen. Enerzijds zorgen investeringen voor groei van werkgelegenheid en productie en voor kennisoverdracht. Anderzijds scheppen investeringen kansen voor Nederlandse bedrijven op nieuwe markten. De ondersteunings-programma's zijn in die visie geen zondegeld maar een impuls om marktpartijen te betrekken in politieke doelstellingen. Zeker als het gaat om de behoeften die de betrokken landen zelf aangeven.
De afgelopen jaren hebben we deze visie in drie beleidslijnen vertaald. Ten eerste de publiek-private samenwerking. Dat wil zeggen: samenwerking tussen het bedrijfsleven, dat het uiteindelijk moet doen, en de overheid, die een aantal drempels uit de weg kan ruimen.
Een succesvol voorbeeld is de Task Force Medische Technologie. Onder deze paraplu bundelen bedrijven uit de medische-technologiesector en de overheid hun krachten om sterker te staan op buitenlandse markten. De medische task force levert een compleet systeem voor de regionale gezondheidszorg: inclusief opleidingen, onderhoud, trainingen, hygiëne en apparatuur. De order ter waarde van 100 miljoen gulden die Philips vorige maand in India, Gujarat, binnenhaalde, bewijst de kracht van deze aanpak.
Ten tweede, integratie van ontwikkelingslanden in het wereldhandelsstelsel.
Ook op dit terrein zijn resultaten geboekt. In juni vorig jaar heeft de Europese Unie concrete toezeggingen gedaan om haar markt verder voor deze landen te openen. Mijn einddoel is een - in de WTO gebonden - vrije toegang voor alle producten uit de Minst Ontwikkelde Landen.
Wederopbouw
Onze zorg voor de positie van de Minst Ontwikkelde Landen komt voort uit de gedachte dat handelspolitiek ook oog dient te hebben voor andere dan alleen economische belangen zoals milieubescherming en natuurbeheer, mensenrechten, vakbondsrechten en dergelijke. Daarom zoek ik als staatssecretaris van economische zaken actief contact met maatschappelijke organisaties op deze terreinen. Mijn visie stelt niet alleen andere eisen aan het overheidsdenken, maar ook aan de maatschappelijke normen van het bedrijfsleven. Kritische consumenten vormen een stevige marktpartij, waarmee je beter zelf maar goed rekening kunt houden.
Tot slot de derde beleidslijn: het stimuleren van bilaterale samenwerking. Drempels voor handel en investeringen kunnen worden verlaagd met financiële en niet-financiële instrumenten.
Een goed voorbeeld is de betrokkenheid van het ministerie van economische Zaken bij Bosnië-Hercegovina. In 1996 ging een delegatie naar Bosnië, samen met een aantal ondernemingen die wilden bijdragen aan de wederopbouw. Als gevolg van het bezoek werd onder meer een bureau opgezet waar Bosniërs worden ondersteund bij het bevorderen van export en aantrekken van investeringen. Ook hier wordt de brug geslagen tussen economie en ontwikkeling. Een vergelijkbare brug zijn we nu aan het leggen in een aantal landen Afrika als Ghana, Ivoorkust en Zimbabwe. De brug tussen economie en ontwikkeling ligt er nu en is succesvol, maar hij is nog lang niet af. De komende jaren moet die brug worden versterkt en uitgebreid. Een ruimer budget voor deze activiteiten volgt hier logisch uit voort. Aan het bedrijfsleven de taak om hiervan vervolgens gebruik te maken en zijn activiteiten in ontwikkelingslanden te versterken en te intensiveren. Daarmee zijn alle partijen gebaat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.