Rome. Het is vol van schatten hier. Ik weet het. Maar ik zie de schatten nog niet. Want waar het hart is, daar is ook de schat. Ik ben het hart nog kwijt en moet mij eerst moeite geven het terug te vinden. Vermoedelijk reist het mij na in langzamer tempo. Het is hier nog niet aangekomen. Het hart neemt de tijd om te wennen aan de verandering van woonstede. Hoeveel wijzer is het hart dan het verstand. Het verstand dwingt, het hart laat zich niet dwingen. Alleen al daardoor is het hart van interessanter orde dan het verstand. Ik had hiervan al weet, maar realiseer het mij nu te meer.
De overgang van Amsterdam naar Rome is groot. Van veelheid van zaken en afleidingen naar eenheid van gemoed en samentrekking van gedachten. Ik doe nu niet even het buitenland aan, zoals zo vaak in het verleden, maar heb mij hier gevestigd en zal in de naaste toekomst even Nederland aandoen, zoals in het verleden het buitenland. Van één keer eerder ken ik deze gewaarwording, toen ik studeren in Nederland had onderbroken voor studeren in Zwitserland en daartoe mij metterwoon in Bazel had gevestigd. Ik herinner mij nog de eenzaamheid van toen, maar wil die mij nu hier niet laten overkomen. Beter dan vroeger weet ik dat de mens altijd afscheid neemt, altijd onderweg is, altijd vreemdeling blijft. Tot de dood erop volgt. Wat is het leven eenvoudig, mits men zich eraan overgeeft. Oefening in overgave dus. Daarmee vangt dit Romeinse verblijf aan. En hoewel het hart nog niet hier is, de dagorde van deze eerste week is mij al zo gewoon, dat ik hier al weken had kunnen zijn.
De brief is een aangename manier van gedachtenontvouwing. Ik meld mij aan als bezoek en wacht af of u mij wilt ontvangen. Wij behoeven ons niet voor elkaar te kleden. Een verfrissing kan achterwege blijven. Laat mij eerst groeten. Lezer wees gegroet. Dit is mijn eerste Romeinse brief en ik ben voornemens ettelijke te doen volgen, waarin ik u vertel over de eeuwige stad, Mama Roma, en hoe ik mij in haar vermei dan wel in haar bijzijn afzie.
Ik wil niet anders dan persoonlijk zijn. Daartoe verleent het genre van de brief mij toestemming. En ik praat niet vormelijk zoals in een toespraak maar gemoedelijk zoals wanneer we elkaar aan de bittertafel zouden treffen.
Daags vóór mijn vertrek had ik in 's-Hertogenbosch nog de wijding van de nieuwe bisschop bijgewoond en daar de geestdrift om zijn benoeming waargenomen. Nadien had ik me naar huis gespoed om allerlei af te handelen en koffers te pakken. In de ochtend halen twee vrienden mij op, dragen mijn koffers, geven mij koffie en begeleiden me tot de douane op Schiphol. Bij het afscheid vraag ik mij af waarom ik zo lang weg zal gaan in dit toch reeds zo korte leven. Van slapen is het niet gekomen. Gevoel in mijn lijf heb ik niet. Ik doe flink maar ben het niet. Zoals altijd. Boven Italië hervind ik mij, kijk in de heldere lucht naar omlaag naar Povlakte en Apennijnen, naar landschap en stadjes van Toscane en Umbrië, en veeg stiekem de tranen van mijn ogen. Dan begint het vliegtuig te dalen.
Handelen wordt weldra nodig, terwijl handelen mij niet ligt. Voorbij het middaguur levert de taxi mij af bij het priestercollege waar ik zal wonen, midden in de stad. Ik krijg mijn kamer toegewezen, kleiner dan mijn slaapkamer thuis. Zoals bij aankomst in hotels begin ik eerst hetgeen niet nodig is te verwijderen. Ruiming schept ruimte. Het weinige, dat ik uit het vele van thuis heb meegenomen, schik ik hier in kasten. Vooral boeken. Schikking schept overzicht. Ik begeef mij naar de kerk die deel uitmaakt van het college. Hier zal ik dagelijks met medebroeders in het priesterschap de eucharistie vieren, iedere ochtend om zeven uur. Omdat ik als een van de eersten na de zomer het huis betrek, wordt nog geen maaltijd bereid. In een steeg in de nabijheid vind ik een trattoria en eet en drink. Een nieuw najaar komt, een nieuwe bezigheid volgt. Ik keer terug naar een stijl van leven die het midden houdt tussen die van het klooster en die van de kostschool. Voor de zoveelste keer in mijn leven ben ik schooljongen geworden. Ik haal klassikaal de Italiaanse taal op en repeteer in eigen uren de Duitse grammatica. In het priestercollege is niet Italiaans maar Duits de eerste voertaal. Hoewel mijn kamer is gelegen aan een eenkennige binnenplaats hoor ik 's nachts vanuit bed het geroezemoes van Piazza Navona vlakbij. 's Morgens is het rustig. In de kerk zijn we nog met weinigen. Op weg naar de klas in de Università Gregoriana verbaas ik mij over de gewoonheid van het leven in de nog milde zon. Ik steek Piazza Navona over, passeer Pantheon en Galleria Doria Pamphili, vind de overzijde van Via del Corso en bereik Piazza Pilotta. Of ik veel huwelijken inzegen, wil Romanina weten, onze jeugdige lerarers, en of ik wel eens lieg. Ze is mooi en enthousiasmeert ons allen die haar uit allerlei taalgebieden na examen zijn toegewezen.
Aan mijn huisgenoten, voorzover inmiddels aangekomen, heb ik alvast uitgelegd dat elke Hollander weliswaar een Nederlander is maar dat elke Nederlander niet noodzakelijk een Hollander is. Ze hebben het meteen begrepen en bij vergissing verbeteren zij zichzelf. Als Nederlander ben ik althans geen Hollander. Uit Roemenië zijn twee zusters aangekomen, nonnen die leidinggeven aan de huishouding en mettertijd andere zusters doen overkomen en zo een nieuwe communiteit zullen stichten. Omdat alles nog tamelijk geïmproviseerd toegaat, gebruiken alle aanwezigen gezamenlijk de maaltijd. Zo gebeurde het dat alleen wij gedrieën eens het avondmaal gebruikten. Wij delen met elkaar dat onze moedertaal niet Duits is. Of de beide zusters niet toch wat eenzaam zijn nu aan het begin van hun verblijf in Rome? Dat zijn zij. Zo delen we ook dat. Eigen eenzaamheid vergroot saamhorigheid in de Heilge Mis de volgende ochtend. Pelgrims zijn wij, samengekomen in het hart van de Moederkerk.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.