*

 
dossier

Archief

KWAADAARDIG (2)

JOS TEMMINK − 17/01/96, 00:00

Op een januaridag in 1993 bevestigde de arts haar angstige vermoeden: Jos Temmink heeft kanker. Er volgden onderzoeken, ziekenhuisopnamen en operaties. Jos Temmink hield een dagboek bij van haar dagen van hoop en vrees. In de rubriek 'Kwaadaardig' staan fragmenten uit dit persoonlijke verslag. Deel 2.

Ontelbare onbekenden komen door woorden en verhalen mijn huis binnen. Ik voel me alsof ik weer mijn eerste kind moet baren. Ook toen wist iedereen raad te geven. Variërend van het wonder der natuur tot de meest afschrikwekkende, realistische beschrijvingen van de bevalling. Nu is het: “Mijn buurman had precies hetzelfde als jij, nu zo'n anderhalf jaar geleden. Maar die rijdt weer gewoon auto.” Of “Je weet toch dat kanker tegenwoordig geneesbaar is. Wat bestralingen, een chemokuurtje en je bent weer boven Jan.” En “Het is gewoon een kwestie van vechten. Je schouders eronder zetten. Kanker is vooral ook een psychische ziekte.”

Ja, ja kanker, je bent volksvermaak - of is het volksleed - nummer één. De woorden van de chirurg “Dame, je bent uniek”, lijken me overdreven nu. Vrijdag wist ik niet hóe het dochter Lisette, die met alle ziekenhuisbezoeken meeging, behalve die dag omdat ik haar zei dat het niet nodig was, te vertellen dat het ernst is. Zo'n drie, vier uur liep ik vloekend, scheldend en tierend mijn huiskamer op en neer voor ik haar durfde bellen. Nu weet ik niet hoe het mijn moeder te zeggen. Donderdag wordt ze 85 jaar. En kanker moet voor haar, op die leeftijd, al helemaal de klank van de dood hebben.

Ik moet lijstjes maken. Van mijn bankzaken, mijn rekeningen, schulden en tegoeden. En alle losse papiertjes waarop namen en adressen, nu eindelijk eens fatsoenlijk in een adressenboekje overnemen.

Ook overtollige rotzooi, in de loop der jaren zo driftig om mij heen verzameld, weggooien. Schoon schip maken, voor àls ik dood ga. Die mogelijkheid is reëel aanwezig. De angst dat ik met kapot, door veiligheidsspelden bijeengehouden ondergoed en een huis als een vuilnisbelt, ergens door een ongeluk langs de kant van de weg dood wordt gevonden, is nihil geworden. Ik kan me erop voorbereiden. En moet die kans maar grijpen.

Vandaag zei iemand: “Ik weet een beetje hoe jij erover denkt Jos, maar ik heb tóch voor je gebeden.” Ik ben inderdaad niet gelovig. Toch doet het me goed. Het lijkt me zo intiem je tot jouw God te wenden voor het heil van een ander.

En, alsof twee werelden zich via mij moeten raken, een ander telefoontje: “Een man in Soest kan via handoplegging golven in mensen oproepen. Zo geneest hij ook kanker”, meldt een vriendin. Er klonk wel enige twijfel in haar stem, maar “Baat het niet het schaadt ook niet.” Ach ja . . .

Ik hoor mezelf heel opgewekt en vrolijk antwoorden. Bellers worden niet moe me te vertellen dat het zo goed met me gaat, dat horen ze immers aan mijn stem.

Maar is dat zo? Welnee, ik bouw zorgvuldig een façade op. Jullie moesten eens weten. Ik praat wel nuchter over dat lijf, maar dat ben ik niet. Van binnen lijkt het of een heel regiment optimisten het opneemt tegen de pessimisten. Het is een strijd waarbij ik me lichtelijk buitenstaander voel. Een soort registrerende geest boven de gebeurtenissen van woekerende cellen, die mijn lijf als strijdtoneel kozen.

Daar laat ik een ander, hoe lief en liefhebbend ook, nog even niet toe.

mailIcon print |