*

 
dossier

Archief

Honingbijen, hommels en wespen in de winter

HENK VAN HALM − 31/01/98, 00:00

Eind januari houden de honingbijen hun reinigingsvlucht. Op een zonnige dag midden in de winter komen de werksters uit de kasten. Ze vliegen een eindje, legen hun darmen en keren in hun kast terug.

Deze winterse activiteit van het bijenvolk heb ik in vorige jaren al eens gemeld. Bij verschillende lezers heeft de summiere beschrijving vraagtekens opgeroepen. Waarom doen de bijen dat? Op de overwinterende koninginnen na sterven hommels en wespen in de herfst, maar hoe overwinteren honingbijen?

De honingbij hoort eigenlijk niet tot onze dierenwereld. In wilde staat komt de soort alleen in zuidelijke streken voor, waar ze haar raten bouwt in natuurlijke boomholten. Rotstekeningen die laten zien hoe mensen honing uit bijennesten haalden, tonen aan dat deze door bijen geproduceerde zoetigheid al in prehistorische tijden als lekkernij werd ontdekt. Ook natuurvolken oogsten de honing uit wilde bijennesten en de dappersten klimmen daarvoor niet zelden met ware doodsverachting tientallen meters hoog in de oerwoudbomen.

Natuurlijk verzamelen bijen geen honing om mensen te plezieren. Het is opslag van energie die het bijenvolk ten goede moet komen, voedsel voor het broed en voor de bijen zelf. Wanneer veel nectarrijke bloemen bloeien, maken de bijen een voedselvoorraad, die van pas komt in tijden van schaarste, bij grote droogte bijvoorbeeld of als het bijenvolk gedwongen wordt tot een rustperiode.

HUISDIER

Om de honing worden bijen ook in noordelijke landen al eeuwen als huisdier gehouden. Door verschillende rassen te kruisen hebben imkers bijentypen ontwikkeld die gemakkelijk hanteerbaar en economisch rendabel zijn. Ze hebben hun bijen gedwongen raten te bouwen binnen houten raampjes en woningen te accepteren, die aangepast zijn aan het koudere klimaat en de imker het werken vergemakkelijken.

Maar verder gaat de domesticatie niet. De koningin uitgezonderd leven bijen kort, wat temmen onmogelijk maakt. Daarom heeft de honingbij als soort voor een goed deel haar wilde natuur behouden en is zij zich door alle tijden heen blijven gedragen zoals vroeger in wilde staat. Ze heeft zich alleen enigszins moeten aanpassen aan een vreemd klimaat. Daarbij hielp een bijzondere eigenschap van het bijenvolk: in het nest heerst een constante temperatuur van 36° C. Die temperatuur houden de bijen zelf in stand door de zeer energierijke honing te eten en daarvoor warmte af te geven.

In de tijd dat de bijen niet uitvliegen, moeten ze eten van de opgeslagen honingvoorraad om het nest warm te houden. Maar van elk voedsel blijft een residu over dat als uitwerpsel uitgescheiden moet worden, honing vormt daar geen uitzondering op. De bijen houden die afvalstoffen in hun lijf tot midden in de winter. Dan vliegen ze even uit, alleen maar om hun ingewanden te reinigen. Wie op dat moment in de buurt van de kast de was buiten droogt, kan het werk overdoen: vooral wit wasgoed zit dan vol donkerbruine spikkeltjes: bijenpoep.

GEEN VOORRAAD

Ook hommels en wespen vormen volken. Oppervlakkig lijkt er weinig verschil met het bijenvolk. Ze hebben alleen in hun evolutie tot statenvormers 'nooit ontdekt hoe ze als volk zouden kunnen overwinteren'. Het voedsel dat ze verzamelen, wordt meteen aan de larven gegeven en er wordt geen noemenswaardige voorraad aangelegd. Daarom is hun manier van overwinteren simpeler dan bij de honingbij en niet heel anders dan de winterslaap van insecten, die geen volken vormen.

Bij hommels en wespen verlaten de jonge, door de darren bevruchte koninginnen in de nazomer het nest en sterft de oude koningin in de herfst, de werksters verweesd achterlatend. Het hele nest sterft in de loop van het najaar uit, omdat er geen eierleggende koningin meer is en er dus geen eitjes en geen nieuwe larven meer komen.

De jonge hommelkoninginnen kruipen diep in de grond weg. Ik heb ze wel per ongeluk als bewegingloze aardkluitjes opgegraven, als ik in februari of maart een boom plantte of een plant verpootte.

De wespenkoninginnen doen het anders. Die zoeken een vorstvrije plek in een rommelhoekje van een schuur of een stal, liever nog een zolder of een onverwarmde kamer binnenshuis. Daar wachten ze roerloos tot het voorjaar zich aandient.

ONTWAKEN IN DE LENTE

De hommelkoninginnen ontwaken omstreeks half maart. Het eerst vliegen de aardhommels, gevolgd door de akkerhommels en nog wat later door de boom- en de weidehommels. De steenhommel is meestal de laatste die in de lente ontwaakt. Die jonge koninginnen vinden eind maart de nectarrijke wilgenkatjes als voedselbron en in park en tuin sleutelbloem, helmbloem, geelster, peperboompje, bergenia, pieris en ribes. Er is dus meteen veel voedsel om een nest te beginnen.

In maart zie je dikke aardhommels zwaar brommend laag over de grond vliegen op zoek naar een geschikte nestplek. Soms strijken ze neer en scharrelen dan wat rond tussen het dorre blad, waarna ze gewoonlijk weer opvliegen en hun zoektocht hervatten. Aardhommels nestelen meestal in een verlaten muizenhol, bij voorkeur als daar wat nestmateriaal in is achtergebleven. Daar bouwt ze geen raten, maar een enkele honingpot van was, waarin de eerste verzamelde nectar wordt gedeponeerd. Dan legt ze haar eerste eitjes, die ze echt bebroedt: door nectar te eten stijgt haar lichaamstemperatuur en kan ze ervoor zorgen dat het in het nest constant 30° C is. Tussen haakjes: die verhoogde lichaamstemperatuur maakt haar net als een warmbloedig dier enigszins onafhankelijk van de temperatuur van de lucht, waardoor ze ook bij kil lenteweer buiten kan rondvliegen!

Als de larven vier dagen na het leggen van de eitjes uitkomen, vliegt de jonge moeder weer uit om nectar en stuifmeel te halen, waar de larven snel van groeien tot ze zich in bruine cocons verpoppen. Na twee of drie weken komen de jonge hommels tevoorschijn. Ze halen nectar en stuifmeel en bergen dat op in de lege cocons, die als voorraadcellen en kinderkamer dienst doen. Vanaf dat moment blijft de koningin in het nest om alleen nog maar eitjes te leggen.

In principe gaat het bij wespen net zo, al maken ze een bewerkelijker nest met veel meer bewoners. Zoetigheid als nectar speelt een minder grote rol. Wespen zijn geweldige verdelgers van andere insecten. Ze voeren hun jongen vooral met fijngekauwde vliegen en rupsen. Daardoor zijn ze nuttig, en niet alleen maar lastig.

NATUUR DEZE WEEK

Koolmezen zingen nu de hele dag, als het niet guur is. Ze hebben veel noten op hun zang. 'Titifu-titifu-titifu...', ook wel vertaald als 'schiet-in-'t-vuur', en 'titu-titu-titu-titu...' of zagen worden het meest gehoord, vaak in beurtzang. ù De grote en de kleine barmsijs zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Zie je ze samen, dan valt het verschil in grootte op. Beide soorten zijn in de winter vaak in het gezelschap van sijzen. Die zijn geelgroen van kleur en missen het rood op het voorhoofd, dat de barmsijzen meestal hebben. Barmsijzen in de vlucht zijn te herkennen aan de knetterende roep, die doet denken aan het geluid van stuiterende knikkers. ù Al vroeg in de morgen slieren troepjes huismussen kibbelend door de straat en door de tuinen. Het is een heerlijk voorjaarsgeluid, dat in sommige dorpen en steden steeds minder wordt gehoord. Van verschillende kanten vernam ik dat de huismussen uit de wijken verdwijnen, zelfs als er genoeg nestgelegenheid in de vorm van pannendaken is. De oorzaak is onduidelijk. ù Waterrallen zijn geheimzinnige rietvogels, die zich zelden laten zien. Hun aanwezigheid maken ze voornamelijk kenbaar door schrille kreten, die soms doen denken aan het krijsen van een big. Als ze door vorst en sneeuw weinig voedsel kunnen vinden in de rietvelden, verlaten ze de dekking om langs oevers van kreken en sloten naar eetbare zaken te zoeken.

mailIcon print |