*

 
dossier

Archief

ADDA HOUDT DE STAD IN LEVEN

KEES BROERE − 01/02/97, 00:00

Morgen komen zij weer bijeen in het Indian Coffeehouse in Calcutta, de mannen die nippend aan hun koffie of thee alle wereldproblemen in één klap oplossen. De miljoenenstad zelf is ten dode opgeschreven, maar wordt wonderwel springlevend gehouden door het geklets in de adda. Voor dit artikel is gebruik gemaakt van 'Calcutta, The Living City', Volume II, van Sukanta Chauduri (red.), Oxford UP, Oxford/Calcutta, 1990.

Binnen in het Indian Coffeehouse speelt apocalyptisch zonlicht door de bovenramen van het immense pand. Rook kringelt omhoog in de stralen. De muren, zeker acht meter hoog, zijn groen. Nee, 'ooit groen'. Niets hier is meer zoals was. De asbakjes op de wankele tafels zijn bijna allemaal geplet - als bezweken onder de kracht van de argumenten die hier over en weer gaan. Zo'n honderdvijftig mannen vangen elkaar vliegen af. De koffie kost vijftien cent.

“Wat je hier krijgt, zul je nergens anders vinden”, zegt een bezoeker. Hij komt al twintig jaar elke zondagochtend naar het koffiehuis. “Ik zie hier mijn vrienden, voor wie ik door de week geen tijd heb. We nemen de week door, we praten over alles wat ons voor de mond komt. Dat gebeurt hier al tientallen jaren zo.” Hij wijst op het enige portret dat de schurftige muren versiert: een foto van Rabindranath Tagore, de icoon van Calcutta.

De recente geschiedenis van Calcutta, de miljoenenstad in het oosten van India die ongeveer driehonderd jaar geleden werd gesticht, begint met Tagore. Elke inwoner weet over deze Nobelprijswinnaar voor de literatuur te vertellen. Het is paradoxaal, want de laatste vijftig jaar van zijn leven, tot aan zijn dood in 1941, heeft Tagore betrekkelijk weinig in Calcutta vertoefd. Maar zijn lijkbaar werd rondgedragen in College Street, dezelfde straat waar het Indian Coffeehouse zijn herinnering en alle paradoxen van deze stad levend houdt.

Calcutta is de hoofdstad van de deelstaat West-Bengalen. College Street, zo is geschreven, is de hoofdstad van Calcutta: zijn geschiedenis is verbonden met de Bengaalse intelligentsia, die in deze straat zo goed als is geboren en getogen. Nog is te zien waarom. Overal langs de kant staan Seine-achtige boekstalletjes. Als de zaken sluiten, leggen de verkopers zich letterlijk op hun boeken te rusten. Maar wie hen wakker wil maken voor iets als Oud-Middelengelse literatuur kan in College Street terecht.

Vaag lijkt hier nog de echo te klinken van de jonge Bengaalse dichters Arunkumar Sarkar en Naresh Guha, die in de jaren vijftig op zaterdagmiddagen de forenzen op weg naar huis staande hielden met hun kreet 'Lees poëzie! Lees poëzie! Bengalen kunnen niet leven zonder poëzie!' Ruim veertig jaar later geldt dat nog. De stad heeft circa 40 000 'geregistreerde dichters', al weet niemand precies wat dat betekent. Iedereen in Calcutta is dichter, tot het tegendeel bewezen is.

Wie aan deze stad van zeker vijftien miljoen mensen denkt zonder haar ooit te hebben bezocht, denkt waarschijnlijk op de eerste plaats aan de dood. De vroegere Indiase premier Rajiv Gandhi zei ooit na een bezoek: “Calcutta is een stervende stad.” Maar Gandhi is al vijf jaar dood, Calcutta leeft nog steeds. Ondanks het verkeer, de stank, het lawaai, de vervuiling, de open riolen en de soms verpletterende armoede. Dankzij de Calcutters zelf en alle mensen die zich in de loop der jaren Calcutters zijn gaan noemen.

Weinig steden ter wereld hebben zulke enorme immigratiegolven gekend als Calcutta. De eerste golf kwam in 1947, toen na de onafhankelijkheid van de Britten het Subcontinent werd opgedeeld in een voornamelijk hindoeïstisch India en een islamitisch Pakistan. Uit Oost-Pakistan, het latere Bangladesh, trokken miljoenen mensen naar West-Bengalen en Calcutta. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh in 1971 overspoelde de tweede golf de toen al overvolle stad.

Maar Calcutta trekt nog elke dag nieuwe mensen aan, mensen uit omliggende deelstaten als Bihar en Orissa, of uit het noordoosten van India. Plaatsen waar de armoede in de dorpen groot is en de stad dus lokt. Een nuchtere planoloog zou op zijn tekentafel Calcutta al talloze malen onder het gewicht van haar eigen inwoners hebben laten bezwijken. Niemand durft ook te voorspellen hoe lang de stad haar eigen bizarre experiment nog aankan. Het 'vlees' van Calcutta ligt te rotten in de straten. Maar de geest wenst de geest niet te geven.

Het geheim hiervan ligt verborgen in het geroezemoes van het Indian Coffeehouse in College Street. Daar, temidden van het schijnbaar oeverloze geklets om niets, wordt de barre rechtlijnige werkelijkheid, die elke dag dichter op de afgrond afstormt, omgebogen tot de cirkel van een triomferende fantasie, de fantasie van het revolutionaire leven dat alleen in woorden kan bestaan. Woorden die nergens heengaan, die geen enkel doel dienen dan zichzelf. Hier vindt Calcutta zijn ultieme bestaansrecht, samengevat in één woord: adda. “Bengalen blinken uit in adda. Dat komt omdat wij praktisch gesproken volstrekt nutteloze mensen zijn.” Radha Prasad Gupta, 'Arpie' (RP) voor zijn vrienden, zegt het ogenschijnlijk zonder ironie. De ogen houdt hij gesloten en natuurlijk is hij op zijn bril gaan zitten. Deze 75-jarige kunsthistoricus, schrijver, “maar bovenal dillettant”, hanteert zijn verstrooidheid als een charmant handelsmerk. Achter hem staan de verweerde ruggen van zware, gebonden boeken die niemand na Gupta's dood ooit nog zal lezen.

“Het is niet eens een Bengaals woord”, meent hij. “Het heeft een Perzische achtergrond, maar niemand anders dan een Bengaal zal het gebruiken. Het betekent iets als bijeenkomst, gesprek. Maar ook: vermaak. Een adda zonder humor is geen adda. En natuurlijk wordt er thee bij geschonken, eindeloos veel thee. Koffie kwam eigenlijk pas later, dat was meer iets voor bourgeois-heren in jacket. De theezaakjes werden wel 'cafe' genoemd, maar geen Bengaal wist wat dat betekende. Men sprak het uit als 'keef', als een Engels woord.”

Adda is omschreven als een 'niet-officieel erkende universiteit, waar de koppen op elkaar botsen en nieuwe ideeën ontstaan'. Oorspronkelijk waren het de mannen in de dorpen van Bengalen die aan het einde van de dag bij elkaar kwamen, nieuwtjes uitwisselden en vooral veel roddelden over de gebeurtenissen in de kleine kring van hun bestaan. De adda in de stad, de adda van Calcutta, is verbonden met kunstenaars en intellectuelen, de inmiddels meestal niet meer zo jonge mannen die gezamenlijk het wereldraadsel wisten op te lossen, zij het verbaal en tijdelijk.

Calcutta beschouwt zichzelf met recht als de culturele hoofdstad van India. Maar kunst en cultuur in deze stad zijn in de twintigste eeuw steeds verbonden geweest met een sterk politiek links bewustzijn. Tagore is hiervan de bekendste vertegenwoordiger. Actieve strijd tegen het racistische kolonialisme van de Britten vond er al vroeg plaats. En al in 1905 maakte Hiralal Sen een film die geldt als 'de eerste politieke film' in India. Kunst en politiek zijn er nog steeds innig verbonden. De revolutie kan nog elk moment komen.

West-Bengalen heeft de langstlevende communistische deelstaatregering ter wereld. Anno 1997 worden de inwoners er op reclameborden nog opgeroepen symposia bij te wonen ter gelegenheid van de zoveelste verjaardag van Friedrich Engels. Het thema: 'Waarheen met het Marxisme?' Kunstenaars zijn er per definitie linkse kunstenaars. Zoals in de salons van het Parijs van voor de Franse revolutie, zo bespraken de mannen van Calcutta in de theezaakjes de op handen zijnde 'Umwertung aller Werte'. Ernstig in hun geloof, lachend om hun eigen tekortkomingen.

Arpie Gupta was erbij. “Addas waren de meest waardevolle gebeurtenissen in ons leven. We waren net afgestudeerd, hadden nog geen baan, nog geen verantwoordelijkheden. Sommigen van ons wisten al dat zij als dichter, filmer of filosoof onsterfelijk wensten te worden. Maar zo ver was het natuurlijk allemaal nog niet. Een adda bood ons het toneel voor onze dromen. We maakten ruzie, we waren polemisch. Oude goden gooiden we aan de kant, nieuwe werden gecreëerd. Het waren informele discussies, tijdens welke je je kennis op allerlei gebieden kon aanscherpen.”

Zonder koffie of thee geen adda. En ook snacks houden de tong los. Zoals de 'muri' die de dichteres Nabonita Debshen serveert. Muri is een mengelmoes van gepofte rijst en diverse zoutjes. “Een adda is eigenlijk als muri”, zegt Debshen, “een mix van allerlei onderwerpen.” Desbshen, een leeftijdgenote en vriendin van Gupta, zou veertig jaar geleden niet tot een adda van mannen zijn toegelaten. “Maar wij hadden onze eigen adda”, zegt zij, “de meyeli adda.” Het schijnbaar chaotische discours van de dichteres sluit in elk geval naadloos aan bij dat van haar kunstbroeders.

Ooit beging Debshen de fout uit Calcutta weg te gaan. Zij was gescheiden en zocht haar heil in Engeland. De dichteres miste de stad, de stad miste de dichteres. Toen zij terugkwam, aan het einde van de jaren zeventig, wist zij zich thuis. Zij schreef een gedicht over haar band met de stad. Bijna twintig jaar later haalt zij het uit een stapel papieren tevoorschijn. Haar bril verruilt zij voor een leesbril, maar zij kent de tekst uit het hoofd en staart in de leegte:

“Raak mij aan, Calcutta. Jouw eenzaamheid is nu voorbij.”

mailIcon print |