Vreemde snoeshaan, die Limburgse rechter die afgelopen week de persen van het dagblad De Limburger liet stilzetten. Die krant moet, alvorens met een onthullend verhaal te komen over het declaratiegedrag van de burgemeester van Beek, de kopij inleveren bij de burgemeester en hem ook de gelegenheid bieden om in een apart stuk zijn visie te geven. Het eerste heeft alleen zin als de burgemeester dan ook gerechtigd is wijzigingen aan te brengen in de tekst. Het tweede heeft alleen zin als de burgemeester een visie op zijn eigen gedrag heeft die de krant buiten de kolommen wil houden. In beide gevallen is sprake van een ernstige aantasting van de vrijheid van meningsuiting.
Maar de krant was in dit geval bereid tot wederhoor en heeft daartoe ook met de burgemeester gesproken. Alleen beviel het hem blijkbaar niet dat ook dan nog de regie van de publicatie in handen bleef van de journalist en dat daar vragen bij hoorden waarop hij geen of onbevredigende antwoorden wilde geven.
Dat is een wel vaker voorkomende situatie. Maar meestal komen krant en onderwerp er in overleg wel uit. Dat moest ook wel, want tot nu toe ging iedereen er vanuit dat geen rechter zo gek zou zijn om medewerking te verlenen aan de verhindering van een publicatie in een krant van nagenoeg onbesproken gedrag, maar wel met een zekere reputatie wat betreft het onthullen van misstanden. Daarmee zou de deur open worden gezet voor sabotage van elk journalistiek werk.
Geen rechter, behalve blijkbaar inmiddels een in Limburg. De journalistenvakbond NVJ heeft meteen het grofste geschut in stelling gebracht: aantasting van de vrijheid van meningsuiting. Daar heeft het inderdaad veel van weg en als De Limburger in hoger beroep gelijk krijgt, dan zitten ze in Maastricht met een rechter die wel iets uit te leggen heeft.
Maar als De Limburger ook dan ongelijk houdt, op basis van het feit dat Europa bijvoorbeeld het liefst deze kant met de vrije pers op zou willen, dan hebben we ineens een heel groot probleem. En een rechter die de media in Nederland een nieuw gezicht heeft gegeven. Zijn uitspraak buigt in de richting van het overspannen Belgische recht op weerwoord, waarbij mensen die in de media zijn aangevallen of zich aangevallen voelen, wettelijk recht hebben op een nog veel groter verweerstuk. Die zijn doorgaans compleet onleesbaar en zetten daardoor al weinig zoden aan de dijk, maar zo'n dreiging maakt sommige journalisten toch wat sneller kopschuw.
Een stap verder gaat het natuurlijk nog wanneer mensen die er weet van krijgen dat er een bepaald artikel wordt geschreven, zich tot direct betrokkene verklaren en eisen tevoren inzage in de tekst te krijgen. Dat kan, met een beetje handige aanpak, elk journalistiek onderzoek onmogelijk maken. En daarmee de persvrijheid in de ziel raken.
Toegegeven, zodra dit soort kwesties uit het zuiden van Limburg komt, overvalt mij een soort giecheligheid. Het zal Limbabwe weer eens niet zijn. En dus zal het wel meevallen tegen de tijd dat de zaak de bewoonde grote-mensenwereld bereikt.
Maar in dit geval geeft de uitspraak wel reden tot grote zorg. Mensen die gewild of ongewild, of tegen hun zin in het nieuws dreigen te komen zullen allicht wat vaker een poging wagen om te zien of er ergens nog zo'n rechter bestaat die wil helpen om publicatie tegen te gaan. Met alle gevolgen van dien voor de persvrijheid.
Daarom moet de zaak van De Limburger serieus worden genomen. Zeker in een tijd waarin journalisten steeds sneller en makkelijker bereid zijn hun kopij tevoren vrijwillig ter inzage te geven aan het onderwerp. Voor alle zekerheid zegt de voorlichter er meestal sussend bij. Maar ondertussen: geef die lui zo'n vonnis als dat Limburgse en de krant heet voortaan een pr-bureau.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.