*

 
dossier

Archief

Wat nu?

JAN GREVEN − 12/10/96, 00:00

Afgelopen donderdag is er op een kerkelijke studiedag weer heel wat afgetobd. Althans, volgens het verslag, dat gisteren op deze pagina stond over een bijeenkomst, waar de fine fleur van het kerkelijk engagement elkaar getroffen had onder het ik-weet-het-ook-niet-meer kopje: 'Wat nu? Kerken op zoek naar nieuwe vormen van engagement.

De kerken klagen nogal eens dat hun imago zo slecht is. Welnu, dat komt doordat ze zich bij voortduring presenteren als een groepering die geweldig met zichzelf in de knoop zit. Wie wil er nu graag bij een groep horen die permanent aan zichzelf aan het twijfelen is?

Het meest verontrustende vind ik nog, dat niemand zich daar meer over opwindt. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is, dat één van de hoogste kerkelijke functionarissen, de secretaris-generaal van de Raad van kerken, een verhaal van Annie M. G. Schmidt aanhaalt over Pluk van de Petteflet, die de weg kwijt is en door een schelp, de Lispeltuut, op weg geholpen moet worden. “Waar is de Lispeltuut, de Geest, die ons nieuwe wegen wijst, buiten de gebaande paden om. . .?', moet mevrouw Ineke Bakker volgens het Trouw-verslag uitgeroepen hebben. Mevrouw Bakker ziet die Geest vervolgens waaien in allerlei groeperingen waarmee de kerken in de samenleving participeren.

Waarom niet in de kerk zelf? Waarom gaat de kerkelijke top te rade bij niet-kerkelijke groeperingen om de richting van het kerkelijk engagement op het spoor te komen? Uit het oogpunt van eigenwaarde lijkt dat toch nergens op? Waarom zou de Geest bovendien nu juist dáár waaien en waarom zou je je au fond bij een kerk moeten aansluiten die zelf stelt dat de Geest buiten haar deur aan het waaien is?

De kerken wekken met zo'n aanpak de indruk permanent te willen mee-liften op het maatschappelijk succes van niet-kerkelijke actiegroepen. Alsof de Geest daar begint te waaien waar een actiegroep met succes aan de weg timmert.

Hoe de zaken wél aangepakt moeten worden, heeft bisschop Muskens deze weken laten zien. Die kwam in zijn pastorale contacten opmerkelijk veel mensen tegen die het moeilijk hebben de eindjes aan elkaar te knopen. Dat viel hem op, en daar zei hij 'dus' wat van op een betrekkelijk willekeurig moment: bij de viering van een parochiejubileum. Later scherpte hij dat nog eens aan en bracht zijn observatie in verband met de moraalleer van zijn kerk. Wie met open oog aanwezig is in kerkelijke gemeente, parochie of diocees, hoeft zich niet in abstracto af te vragen waar zijn engagement moet liggen.

Er zit een vreemde dubbelzinnigheid in de kerk. Aan de ene kant is er de plaatselijke kerk, waar het beroep op medeleven en solidariteit met bakken binnenkomt. Of het nu gaat om vereenzaming in verpleeghuizen, om armoede of om relatie- en opvoedingsproblemen. Als gewone predikanten en priesters die hun werk goed doen, al aarzelen, dan is het niet uit gebrek aan mogelijkheden tot engagement, maar omdat ze uit tijdgebrek zoveel moeten laten liggen, dat ze een keuze moeten maken.

Aan de andere kant hebben kerkelijke functionarissen op landelijk niveau het kerkelijk engagement in hun pakket. Zij overzien de maatschappij als totaliteit en proberen vanuit die optiek het engagement van de kerk als landelijk instituut te formuleren. Dat is geen sinecure. Er is een zo grote diversiteit in opinie, niet alleen tussen de kerken onderling, maar ook in de kerken zelf, dat landelijke uitspraken onvermijdelijk een hoog, abstract bestuurlijk gehalte hebben. Maar voor het zover is, wordt er eerst heel wat afgetobd. Wie zal bij zoveel verschillen in opvatting en bij zoveel verschillende mogelijkheden tot engagement de juiste richting wijzen? Al dat openlijk getob en gezoek is desastreus voor het imago van de kerken. Die pretenderen immers een schat met eeuwigheidswaarde te beheren. Met zo'n opdracht vraag je niet 'Wat nu?' of roep je de 'Lispeltuut' om hulp aan.

Stel je voor dat de Oost-Timorese bisschop, Carlos Belo, zo te werk gegaan was. Die kreeg gisteren de Nobelprijs voor de vrede omdat hij vastberaden heeft laten zien hoe zijn engagement eruitzag. Hij hoefde daarvoor niet met een 'Wat nu?' op de lippen naar buitenkerkelijke actiegroepen te kijken. Vanuit zijn roeping volgde hij zijn eigen opdracht.

mailIcon print |