Hoe erg is het dat veel leden van de Tweede Kamer geen flauw benul hebben van elementaire feiten uit de vaderlandse geschiedenis, zoals blijkt uit een telefonisch 'proefwerk' afgenomen door het Historisch Nieuwsblad? De auteur is docent geschiedenis aan een hogeschool in Rotterdam.
Een aantal Kamerleden zei ter verdediging van hun 'onkunde' dat feitenkennis minder relevant is dan inzicht. Het Nieuwsblad reageerde daarop door te stellen dat inzicht alleen maar door feitenkennis verkregen kan worden. Daar lijkt geen speld tussen te krijgen. Toch mag men niet voorbijgaan aan de vraag, wie welk inzicht wanneer en waar nodig heeft. Als parlementariërs over onvoldoende feitenkennis van staatkunde beschikken, kan hun dat meer worden aangerekend dan als zij verkeerd gokken bij de vraag hoeveel Nederlanders er precies bij de Waffen-SS dienden. Zonder het belang van dit feit te willen ontkennen, het is voor het functioneren van een Kamerlid minder relevant.
Het begrip 'feiten' mag niet beperkt worden tot een select aantal gegevens uit het historisch proces die we als 'waar' typeren. Ankersmit stelt in 'Denken over geschiedenis' (Groningen 1984): “Het verleden is wat het geweest is en zal blijven wat het was, ongeacht wat wij daarover beweren.” Er dient echter gedifferentieerd met feiten te worden omgegaan.
Het historisch proces bepaalt in grote mate welke feiten historisch relevant zijn en welke niet. Uiteraard is dit geen autonoom proces. Geschiedenis wordt zeer zeker ook door mensen gemaakt, maar lang niet altijd - en ten diepste niet - door mensen bepaald. De geschiedenis zal dus zelf aantonen in hoeverre aan het door de Kamerleden behaalde rapportcijfer, 4+, een historische betekenis moet worden gegeven.
De reactie van de onderzoekers op de opmerking van de diverse volksvertegenwoordigers dat inzicht een spin off dient te zijn van kennis, is dus juist, maar dient te worden aangevuld. Feitenkennis rechtvaardigt zichzelf vooral wanneer ze dienstbaar wordt. Een aantal Kamerleden denkt dat Alfrink (overleden in 1987) de eerste bisschop van Utrecht was. Niemand zal daarvan wakker liggen. Maar feit is wel dat kennis van geschiedenis nodig is om mensen en dingen in een tijdscontext te verankeren. Deze verankering gaat gepaard met het krijgen van begrip voor de leefomstandigheden en het handelen van mensen van vroeger. Emeritus-hoogleraar A. Th. van Deursen omschrijft in 'Geschiedenis: een hoofdvak' (Leiden 1985) bijzonder treffend waar feitenkennis wezenlijk toe dient: het bijbrengen van begrip en respect voor de levende en overleden medemens, want “de liefde voor hen die ons werkelijk na stonden, verdwijnt niet met de dood, zoals ieder voor zichzelf getuigen kan”.
Ten slotte wordt kennis van historische feiten wel eens vergeleken met een kapstok waar de samenleving haar verleden aan op kan hangen. In een kapstok kun je niet wonen, maar hij zorgt wel voor een geordende entree van het huis waar we als mensen samen in moeten leven.
Al doet de tekening van Tom in Trouw van 20 december 1996, waarop de fictieve geschiedenisleraar Verhulsbeek van 'de School met de Koran' Ahmed vraagt naar het jaartal van de Slag bij Heiligerlee, anders bevroeden, in onze multiculturele samenleving kan kennis van het verleden terdege functioneren als bindende factor bij het verwerven van een leefbare identiteit voor de samenleving van de toekomst. Het zou een goede zaak zijn wanneer Kamerleden van dit feit kennis zouden nemen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.