AMERSFOORT - Een jaar of vier geleden zei Wolf Prix van het Oostenrijkse architectenbureau Coop Himmelb(l)au in een interview dat architectuur de kunst van de 21ste eeuw zou worden. Nog voordat we over de drempel naar die nieuwe eeuw stappen, lijkt hij al gelijk te krijgen. Steeds meer kunstenaars eigenen zich de beeldtaal van de architectuur toe als middel voor sculpturale uitspraken.
In de expositieruimte van de Hermen Molendijk Stichting in Amersfoort - recentelijk verhuisd naar de Breestraat aan de voet van de Onze-Lieve-Vrouwetoren - toont Monique Kwist een serie architectonische modellen die typerend zijn voor de architectuurtrend in de hedendaagse kunst. In kleine balkvormige blokken snijdt Kwist holtes, passages, trappartijen, vensters, deuren, kades en nissen. Hier en daar steken blokjes uit het blok, als verlengstukken van de ruimte binnenin. Geen van de 'utopische' modellen heeft een gebruiksfunctie, het gaat om een puur esthetische beeldhouwoefening. Van sommige van de blokken heeft Kwist afgietsels in siliconenrubber gemaakt, waardoor een intrigerend spel met 'negatieve' en 'positieve' ruimte wordt gespeeld. Wat in de mal 'binnen' is, wordt in het afgietsel 'buiten'.
Wat Kwist probeert te bereiken, is een dwaaltocht in gedachten door de in de modellen gesuggereerde en gesublimeerde architectonische ruimte. De kunstenares maakt hierbij dankbaar gebruik van ons referentiekader ten opzichte van 'betreedbare' architectuur. Wanneer we in haar blokken een kadetrap ontwaren, graven we bijna automatisch in ons geheugen naar een kadetrap die we ooit ergens zijn tegengekomen. En dalen die dan af.
Foto's
Op die manier heeft Kwist zelf ook de modellen ontworpen, gezien een bakje met tientallen foto's van architectonische voorbeelden uit de hele wereld: de trap van een Maya-piramide in Mexico, de nuchtere architectuur van een gebouw van Alfred Loos, een gang in de Villa Adriana in Tivoli, het model van de Scrovegni-kapel in Padua op een fresco van Giotto in diezelfde kapel. Maar ook een eenvoudige boerenhoeve, een verlaten schuur, het skelet van een vervallen flat of een gestileerd bushokje inspireerden Kwist in haar zoektocht naar archetypische architectonische beeldelementen. Ze komt zo bijna automatisch uit bij strakke geometrische composities, die dicht tegen de modernistische beeldtaal aan liggen. Ieder ornament is weggelaten, zodat een zuivere vorm van lucht, licht en ruimte ontstaat.
Kwist sluit met haar prototypes aan bij een reeks kunstenaars die de bouwkunst als vormentaal hanteren. Op de laatste Documenta in Kassel - waar de architectuur een belangrijke plaats innam als 'sociale kunst' die uitspraken doet over het leefklimaat aan het einde van de twintigste eeuw - toonde bijvoorbeeld Stephen Graig maquettes met een hoog modernistisch gehalte. De transparantie en het spel van wanden en plafonds in Craigs modellen staat dicht bij het gedachtegoed van een architect als Mies van der Rohe. Jan van de Pavert is in Nederland al jaren bezig met het bouwen van fragmenten van architectonische ruimtes, waarin de hoekige beeldtaal van De Stijl een belangrijke rol speelt.
Tendensen
De modellen van Kwist zijn ook interessant doordat ze aansluiten bij tendensen in de architectuur. Zo hebben de gebouwen van onder anderen de Zwitsers Herzog & De Meuron (onder meer de ontwerpers van de nieuwe dependance van de Tate Gallery in Londen) en de Duitser Christian Rapp (samen met Hans Kollhoff ontwerper van het woonblok Pireus op het KNSM-eiland in Amsterdam) een sterk sculpturale inslag met de nadruk op gestileerde monolitische vormen die bijna celebraal overkomen. Het is die kwaliteit die Kwist accentueert en uitbuit. In ieder model opnieuw lijkt ze op zoek te gaan naar de meest perfecte ruimtebeleving. Functies of bouwlogica kunnen haar niet hinderen, zodat haar formele beeldhouwkundige aanpak hand in hand kan gaan met het ultieme architectonische dromen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.