*

 
dossier

Archief

Kapucijnersoep

JANNY DE MOOR − 22/01/98, 00:00

De Kapucijnen, baardige bedelmonniken in bruine pij, trokken ooit een geestig spoor door de Nederlandse taal: 'De Kapucienen gaan altijd getween' staat voor: 'neem toch nog een tweede glaasje', 'een Kapucijnerknie' is een gezwollen knie (van 't vele knielen). En onze bruine erwten zijn naar hen genoemd. In Sliedrecht heetten ze tot voor kort nog 'grauwe munniken'.

In de tijd dat de orde werd opgericht (1528) heerste er in onze streken grote armoede. Bonen en erwten vormden het hoofdvoedsel, men mengde ze zelfs door het gerstebrood. Dat is lang geleden. Inmiddels hebben we zelfs de 'typisch Hollandse zuinigheid' achter ons gelaten. Als herinnering daaraan een soepje-oude-stijl. Met een borreltje en volkorenbrood.

Voor twee porties:

pot kapucijners (720 g) 1 l water 2 saucijsjes 1 prei in plakken 1 theelepel Buisman 4 geplette jeneverbessen peper, zout 250 g geschoonde spruitjes 100 g mager rookspek 1 gesnipperde ui 1/2 theelepel dilzaad 1 flinke goudrenet 2 zoetzure augurken selderijblad

1. Saucijsjes, prei, buisman, kruiderij en zout met de helft van de kapucijners 15 minuten zachtjes onder deksel koken in het water. Ten slotte de spruitjes nog 8 minuten laten meedoen in open pan.

2. De rest van de kapucijners pureren met het kookvocht. Even meekoken, zonodig afschuimen.

3. Intussen blokjes spek zachtjes uitbakken en daarna de ui en het zaad laten meefruiten. Ten slotte ook de saucijsjes. Apart bij de soep serveren.

4. Blokjes geschilde appel mengen met plakjes augurk en selderij. Ieder schept er iets van in zijn bordje.

mailIcon print |