BERLIJN - Aan het begin van het nieuwe jaar heeft een opiniepeiling onder tweeduizend Duitsers (duizend in oost en duizend in west) dan eindelijk vastgesteld wat velen al konden vermoeden: dat de nostalgie naar de DDR onder de Oostduitsers groeit.
Elke vijfde van de ondervraagde Oostduitsers hunkert naar de oude Duitse deling en in de Süddeutsche Zeitung - de Münchener krant die de enquête organiseerde - mag parlementsvoorzitster Rita Süssmuth ijlings verklaren dat de Duitse grondwet niet in een secessierecht voorziet: afscheidingsverlangens, kameraden, zijn dus niet realistisch.
De resultaten van de peiling hoeven niemand te verbazen. Een blik op de verkiezingsresultaten van de afgelopen jaren is voldoende. In het oosten kan de PDS - de opvolger van de SED, de oude communistische staatspartij in de DDR - bogen op twintig procent van de kiezers.
In de oostelijke districten van Berlijn ligt dat percentage nog aanzienlijk hoger. De gronden daarvoor zijn bekend: een betrekkelijk hoge werkeloosheid, niet nagekomen beloften uit het westen, het gevoel te zijn overrompeld en gekoloniseerd. Het groeipotentieel van deze onlust en frustatie lijkt zijn hoogtepunt inmiddels wel te hebben bereikt: de PDS is druk in de weer zich van zijn laatste DDR-aanhangsels te ontdoen en nieuwe strategieën te ontwerpen.
Het opinie-onderzoek registreert in feite dat aan de euforie van 1990 - het jaar van de Duitse hereniging - een einde is gekomen. In dat jaar was dezelfde vragenlijst rondgestuurd onder het motto: 'Hoe moet Duitsland er over tien jaar (in 2000 dus) uitzien?' De aanhang voor de bondsregering is in het oosten drastisch geslonken (van 51 procent toen naar 33 procent nu) en het verlangen naar een sterke, autoritaire staat is sterk toegenomen: 78 procent van de Oostduitsers zou graag meer politie op straat zien.
Grootste zorg van alle Duitsers is niet langer de bedreiging van het milieu (zoals in 1990) maar de angst voor de criminaliteit. Dat stijgende autoriteitsverlangen bij bijna zestig procent van alle Duitsers verdient meer kritische aandacht dan het afgestompte terugverlangen naar de Muur.
Jane Kramer, Duitsland-specialiste bij het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker, stelt dienaangaande een paar ongemakkelijke vragen: “Betekent dit dat de Duitsers - mogelijk om historische redenen - bijzonder ontvankelijk zijn voor het verlangen naar autoriteit, ongeacht of die autoriteit voor een mythisch of een marxistisch Duitsland staat? Betekent dat soms dat ze autoritair gezag verkiezen boven moeilijke tijden?
“Dat zou alarmerend zijn. Want dan zouden de onderzoeksresultaten te kennen geven dat de Duitse democratie - die door het Marshall-plan en de legers van de geallieerden gesterkt werd - breekbaarder is dan de meeste Westduitsers hadden gedacht.”
Die innerlijke drang naar gezag en orde (die zich ook tegen vluchtelingen en asielzoekers richt) gaat gepaard met een groeiende afkeer van de Europese samenwerking. In 1990 was een grote meerderheid (76 procent in oost, 70 procent in west) voor de vestiging van de Europese politieke unie: nu zijn respectievelijk 59 en 52 procent daar tégen. Ook bij internationale conflicten zien de meesten voor Duitsland geen rol weggelegd, ook al is die meerderheid iets geslonken. Van alle Duitsers vindt 63 procent (in 1990: 75 procent) dat hun land bij zulke conflicten niks te zoeken heeft.
Zo blijkt uit het onderzoek dat onder de Duitsers een zekere scepsis of zelfs een ontkenning van de eigen machtspositie in de wereld overheerst. Dat getuigt meer van het verlangen naar waardering dan van realiteitszin, als men bedenkt dat de Duitsers dankzij hun economie en hun D-mark allang de gang van zaken in Europa domineren.
Tegenover die dreigende tendens naar afscherming en het verlangen naar een sterke staat, levert de opiniepeiling ook nog iets geruststellends op. Bij de vraag naar de meest ideale staat noemen de meeste Duitsers Zwitserland (symbool voor welvaart en onafhankelijkheid), vóór Zweden (sociale geborgenheid), Italië (levensvreugde) en Frankrijk (elegantie en nationaal bewustzijn). De Duitser wil dus zo rijk zijn als de Zwitser en tegelijkertijd sociaal zo warm toegestopt worden als de Zweed.
Daarin, zo meent Jane Kramer, tonen de Duitsers zich ware Europeanen en onderscheiden ze zich prettig van de Amerikanen. “Want die laatsten willen weliswaar ook zo rijk zijn als de Zwitsers, maar niemand heeft hun nog verteld dat een geciviliseerd land ook zorg moet dragen voor zijn armen, zieken en bejaarden.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.