*

 
dossier

Archief

ELI, ELI, LAMA SABACHTANI!

ELIANNE MULLER; PAUL VAN TONGEREN − 31/08/96, 00:00

Deze zomer stierf de schrijver G. L. Durlacher. Hij liet, afgezien van wetenschappelijke publikaties, een bescheiden oeuvre na: vijf boeken die samen zijn memoires vormen, en waarin voortdurend een profetisch appel aan de rechtvaardigheid klinkt.

Durlacher richt zijn vraag of klacht dan ook van meet af aan uitdrukkelijk niet aan God, maar aan mensen: daders, medeplichtigen, omstanders, onverschilligen: vooral de laatste twee categorieën bevraagt hij: waarom was je er niet, toen ik om hulp riep, waarom bleef je onverschillig, deed je of het je niet aanging? Wie zijn boeken leest, kan zich verbazen over het feit dat de werkelijke daders zo weinig in beeld komen: waren zij niet de ware schuldigen? Eventueel, maar van hen was duidelijk waar ze op uit waren; zij wilden de totale vernietiging van het joodse volk. Van een dergelijke vijand is geen verklaring en zeker geen compassie te verwachten - en daar zoekt Durlacher die ook niet. Het was voor hem, en voor zijn medegevangenen, juist het “wegkijken van de wereld” dat de pijn en de verlatenheid versterkte: “Vooral de rest van de wereld had zoveel kúnnen doen en heeft zoveel nagelaten dat tot verhoging van de levenskansen der Europese joden kon bijdragen”, zegt hij in Strepen aan de hemel. Het is een confronterend boek, daar waar het de collectieve schuld van de wereld laat zien. Tegelijkertijd is het een eerbetoon aan diegenen die wèl tegen het onrecht in het geweer kwamen.

Die twee kanten blijven aanwezig in al het werk van Durlacher. Aan de hand van zijn eigen levensgeschiedenis maakt hij duidelijk hoe bitter de onverschilligheid van de buitenwereld voor het lot van de joden was maar ook hoe heilzaam de blijken van betrokkenheid, rechtvaardigheid en zedelijke moed van enkelen.

Er zijn meer redenen waarom de gruwelijke martelpraktijken en het ergste leed nauwelijks beschreven worden in zijn boeken: Durlacher vond er zelf de woorden niet voor en hij besefte dat hij de lezers moest behoeden voor afstomping of irritatie. In interviews benadrukte hij tot Zivilcourage, burgerlijke moed, op te willen roepen om te voorkomen dat mensen blijven doen wat de wereld toen deed: toekijken zonder in te grijpen.

Toen Gerard Durlacher op 2 juli stierf, was hij bijna 68 jaar oud. Geboren in 1928 in Baden Baden, enig kind in een welvarend geassimileerd joods gezin, ondervindt hij al vroeg wat het is om anders te zijn dan de andere kinderen in zijn omgeving - of beter gezegd: tot vreemdeling in eigen land gemaakt te worden door diegenen die nu eenmaal in de meerderheid zijn. Zijn kinderjaren in het Derde Rijk beschrijft hij later, veel later, in 1987, in Drenkeling; een novelle die adembenemend is vanwege de eenzaamheid die er uit spreekt. Onder druk van de grimmiger wordende bedreigingen aan het adres van de joden wijkt het gezin Durlacher uit naar het dan nog veilige Nederland. In Rotterdam is de jonge Durlacher opnieuw een vreemdeling, maar nu één die ook sympathie ontmoet en die zich de nieuwe taal snel eigen maakt. Maar de val, die in Duitsland door de Nazi's voor de joden was uitgezet, klapt in Nederland alsnog dicht: het gezin, na het bombardement op Rotterdam in Apeldoorn beland, wordt in oktober 1942 naar Westerbork gedeporteerd. In januari 1944 volgt deportatie naar Theresienstadt, in mei 1944 naar Auschwitz-Birkenau. Daar worden zij definitief gescheiden; Gerhard wordt door Mengele geselecteerd voor een werkcommando, en overleeft ternauwernood de internering. Zeven jaar na de oorlog krijgt hij definitief bericht over het lot van zijn ouders: zijn moeder is overleden in Stutthof, zijn vader in Bergen Belsen.

Terug in Nederland, wordt hij weliswaar liefdevol opgenomen in een pleeggezin, maar hij ontmoet in het na-oorlogse Nederland ook openlijke vijandigheid. Hij voltooit de HBS, studeert aanvankelijk medicijnen maar later sociologie en is jarenlang werkzaam als docent aan de Universiteit van Amsterdam. Hij trouwt en krijgt drie dochters.

En al die jaren heeft hij, naar eigen zeggen, de herinneringen aan de kampen 'dichtgemetseld in zijn geheugen'. Tot er 'scheuren in het beton' kwamen, het oorlogsverleden zich almaar nadrukkelijker aandiende, en hij er wel over moest gaan schrijven. In 1985 verscheen Strepen aan de hemel, een boek waarin hij poogt verslag te doen van de geleden pijn, onderzoekt waarom de vervolgingen plaatsvonden en bovenal: waarom de geallieerden, die wisten van de vernietigingskampen, niet ingrepen om de slachtoffers te hulp te komen.

Terug naar het motto: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten! De boodschap die Durlacher uitdraagt is, zoals we suggereerden, één die ongetwijfeld wortelt in een religieuze traditie, maar die voor hem zelf los staat van de godsdienst als zodanig. Zelf was hij geen actief belijdende jood en ook geen kenner van de bijbel, hoewel hij er in zijn jeugd wel mee geconfronteerd is. In verschillende van zijn verhalen beschrijft hij hoe hij deelnam aan religieuze rituele gebruiken, maar steeds is duidelijk dat hij zich daar niet sterk bij betrokken voelt.

Jessica Durlacher, zijn oudste dochter, zegt in haar verhaal 'Vol als Fisj', in De olifant en het joodse probleem: “Joods-zijn is voor mij onlosmakelijk verbonden met de oorlog. Ons vermeende jodendom speelde ook alleen maar een rol in verhouding tot de buitenwereld (...) We waren niets, zeiden we altijd als iemand naar onze godsdienst vroeg. Dat moesten we ook zeggen, van mijn vader. Die oorlog was er wèl (...). Het was vooral de oorlog die ons anders maakte, en aangezien het jodendom voorafging aan de oorlog, waren we joods.”

Wel waren er, ook voor haar, nog de joodse woorden en uitdrukkingen en de bijna tot cliché verworden rituele handelingen die iets van die zogoed als verloren gegane religieuze cultuur in stand hielden: “Ik heb het hier over een erfenis die zelf geen cliché is, nooit een cliché mag worden ook”, zegt ze in datzelfde verhaal. Om er tenslotte aan toe te voegen: “En dat er buiten de parafernalia van het Oost-Europese jodendom ook nog de humor is, en de moraal, en de tien geboden en wat u niet wilt dat u geschiedt doe dat ook een ander niet; het geweten en het fatsoen - dat ook dat allemaal erfenis is van de joodse cultuur in mijn familie, besefte ik pas onlangs.”

'Geweten en fatsoen'; het zijn sleutelbegrippen geworden in het oeuvre van Gerard Durlacher. 'Geweten' staat voor de eis van rechtvaardigheid, en 'fatsoen' duidt de vanzelfsprekendheid aan waarmee die eis voor iedereen zou moeten gelden.

Durlacher beklemtoont enerzijds het algemene, humane, karakter van dat 'fatsoen', maar lijkt anderszijds - als zo veel schrijvers die staan in de joodse of joods-christelijke traditie - de taal en de stijl waarmee hij daaraan appelleert mede te ontlenen aan bijbelteksten.

'Jezus kende zijn psalmen waarschijnlijk beter dan ik', zei Durlacher vorig jaar, 'maar wanneer Hij sterft aan het kruis en uitroept: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten! - mag dat de aanhef van psalm 22 zijn; het is toch vooral de wanhoopskreet van een door God en alle mensen verlaten en verraden mens'. Durlacher koos zijn motto niet op grond van eigen vertrouwdheid met de joodse psalmen; hij werd er door geraakt tijdens een uitvoering van Bach's Mattheuspassie.

Wie Durlachers werk leest, zal niettemin voortdurend echo's uit het Boek horen meeklinken. De reeds genoemde relatie tussen het motto van Strepen aan de hemel en psalm 22, een klaagpsalm, is daar een voorbeeld van. Wanneer hij (op p. 44 van datzelfde boek) schrijft 'Als onvoorspelbare windvlagen vallen bevelen en slagen over ons heen. Wij zijn de stofdeeltjes die van plek naar plek geblazen worden, zonder respijt' worden we herinnerd aan psalm 90 vers 3: “De mens doet Gij weer worden tot stof” of psalm 18, vers 43: “Ik vergruizel hen - stof op de wind, trap hen weg als het vuil van de straten.” Of als hij schrijft (p. 46): “De dagen na de selectie hebben hun zin verloren. Mijn ik is vergaan, mijn schaduw verdwenen”, klinkt mogelijk psalm 109 (vers 23) mee: “(ik) moet vergaan als een schaduw die neigt”, of psalm 144, vers 4: “De mens die een adem gelijk is, wiens dagen als schaduw vergaan.”

Wanneer we de bijbelpassages die zich het sterkste opdringen vergelijken met Durlachers werk valt vooral het steeds terugkerende motief op van de 'ene rechtvaardige', die zou moeten optreden in een situatie van diepe ellende en groot moreel verval, om de redding van hele het volk te kunnen bewerkstelligen, of althans zijn ondergang te voorkomen.

Durlacher zelf verwijst in een interview met Jet Kunkeler (Trouw, 24 maart 1994) naar het verhaal van Abraham (Genesis 18) die God smeekt de stad Sodom niet te verwoesten wanneer hij, Abraham, nog voldoende rechtvaardigen vindt. Abraham begint met vijftig, maar moet God vragen met steeds minder genoegen te nemen, totdat hij uiteindelijk vraagt om redding van de stad zelfs omwille van slechts tien rechtvaardigen. God stemt toe, maar zelfs tien worden er niet gevonden, en de stad wordt verwoest.

Hetzelfde motief van de ene Rechtvaardige vinden we bij de grote profeten Jeremia en Ezechiël. Ook Abraham, de aartsvader, krijgt in zijn pleidooi voor de rechtvaardigen - en daarmee voor heel zijn volk - profetische trekken. Doet Gerard Durlacher dan hetzelfde, wanneer hij in zijn werk zo sterk de nadruk legt op die bijbelse basisdeugd van rechtvaardigheid, op fatsoen, integriteit en mededogen? Heeft hij, met andere woorden, trekken van een profeet, die lijdt met zijn volk maar ook lijdt met God?

Nee, we mogen van Durlacher geen religieus auteur maken. Al is er de toon van psalmen en profeten, de meest wezenlijke factor ontbreekt in zijn teksten: God zelf. God is in die hele noodlottige geschiedenis van vervolging, verlating, angst, vernedering en marteling niet meer aanwezig, Hij is zelfs nauwelijks afwezig in Durlachers werk. Hij noemt God niet meer, richt zijn klacht niet tot Hem, maakt Hem niet verantwoordelijk, herinnert Hem niet aan een gedane belofte, roept nergens om wraak of genoegdoening en vraagt zich ook niet af of al het ondergane lijden, de hele Holocaust, misschien een straf is van God. En de uiteindelijke redding, de bevrijding uit de 'hel' - zoals de schrijver de kampen wel bij voortduring noemt - wordt niet op het conto van God geschreven, aan Wie dus ook geen dank of lof toekomt. Bij Durlacher vinden we, kortom, geen theodicee-thematiek, zo kenmerkend voor veel literatuur over de kampen; hij verbindt de ervaring van vervolging of zijn oproep tot fatsoen niet met God, zoals dat wel gebeurt in de psalmen en de profetische literatuur. Wanneer Durlacher beschrijft, met name in De Zoektocht, hoe andere joden wel hun lijden en hun redding in verband brengen met Gods voorzienigheid of met de uitverkoren staat van het joodse volk, doet hij dat met nauw verholen ergernis. En in Quarantaine en Niet Verstaan schrijft de anders zo milde auteur enkele kleine, scherpe passages over christenen die al te duidelijk lieten merken hun hulp uitsluitend uit religieus plichtsbesef te bieden.

Kun je Durlacher dan een profeet zonder God noemen? Iemand die, zonder zich te beroepen op een hogere instantie, ons waarschuwt voor het gevaar van onverschilligheid en ons herinnert aan de simpele grens tussen goed en kwaad? Ongetwijfeld wortelt zijn besef van die grens in een bijbelse traditie; maar de scherpte waarmee hij die actualiseert heeft hij geleerd in de ervaring van zijn eigen lijden en dat van zijn lotgenoten, zijn eigen ervaringen met de Rechtvaardigen die in dat lijden zijn pad kruisten en zijn eigen opstanding uit het lijden - niet zonder ernstige littekens overigens, maar met vertrouwen in de humaniteit als zodanig. Misschien dat die benaming 'profeet zonder God' hem recht doet. In ieder geval is dit de boodschap die in zijn bundels terug te vinden is: dat ook op het dieptepunt van de beschaving nog een rest menselijke waardigheid blijft bestaan, zolang er maar enkelen zijn die daartoe de zedelijke moed opbrengen, en zo licht brengen in het leven van hun naasten.

Quarantaine, p. 105-106

Alleen één voorval dreigt de vrede te verstoren. Een wat oudere aardrijkskundeleraar, die zijn populariteit aan het vertellen van cynische grappen dankt, geeft een les over de bevolkingsgroepen in de wereld, hun verschil in kleur, lichaamsbouw en cultuur. In zijn betoog sluipen ironische woorden over negers en Aziaten. Mijn klasgenoten uit Indië schuifelen onrustig in hun banken. Ongevoelig voor de veranderde sfeer in het lokaal gaat hij verder en braakt vooroordelen over joden uit die mij gruwelijk bekend in de oren klinken. Machteloze woede komt in mij op. Ik trek wit weg en kan mijn tranen niet bedwingen. De donkere stem van mijn vriend dendert door de klas. Hij staat naast zijn bank en schreeuwt tegen de leraar dat hij zijn nazi-ideeën voor zich moet houden. Een heftige ruzie volgt. De leraar probeert hem autoritair het zwijgen op te leggen. Dat maakt hem nog furieuzer. Hij loopt naar voren, grijpt de man bij de arm, draait zijn arm op zijn rug en duwt hem zo de klas uit. De klas joelt en applaudiseert. Voor het eerst in mijn leven voel ik mij een beetje veilig.

mailIcon print |