HERAT, KABOEL - Met zijn camouflagepak en martiale snor lijkt hij de zoveelste Afghaanse krijgsheer die uit is op een eigen territorium in het verscheurde land. Naik Mohammad, een man van 'misschien veertig jaar', kijkt uit over de heuvels van Kushk, een regio in het noordwesten van Afghanistan, enkele tientallen kilometers van de grens met Turkmenistan.
De woest ogende man in het al even woest ogende landschap dient echter de goede zaak. Naik Mohammad is de leider van de teams die vanuit Herat, de grootste stad in het westen, een gebied dat twee maal zo groot is als Nederland vrij proberen te maken van de 'genadeloze, verborgen moordenaars': de vele tienduizenden landmijnen. Herat is vorige week in handen gevallen van de studentenmilitie Taliban, maar die verovering geschiedde zonder slag of stoot. Het vredeswerk wordt niet gehinderd. Omar, de organisatie waarvoor Mohammad werkt, krijgt voor het opruimen van mijnen financiële steun van de Novib, een half miljoen gulden per jaar.
Mohammad laat zien hoe dat gaat op een plek in de heuvels waar ooit een observatiepost was van de voormalige sovjettroepen, die Afghanistan tussen 1979 en 1989 bezet hebben gehouden. Hij werkt zich omhoog langs een smal pad dat is afgezet met witgeverfde steentjes. Een veilig pad, zo moet maar even worden aangenomen.
Niemand weet hoeveel mijnen precies in Afghanistan liggen te wachten op hun nietsvermoedende slachtoffers. De schattingen lopen uiteen van vijf tot vijftien miljoen. De medewerkers van de Britse organisatie Halo Trust, houden het op minder dan drie miljoen. Maar er vallen elke dag dodelijke slachtoffers.
Het opruimen van de mijnen stuit op veel problemen. Zo bestaan er niet of nauwelijks landkaarten van de gebieden die door de Sovjets zijn ondermijnd. Bovendien zijn er de afgelopen zes jaar, waarin verschillende Afghaanse facties onderling bleven vechten talloze mijnen bijgekomen. Daarnaast is het opsporen van de mijnen bijzonder gevaarlijk.
Bij Omar werken uiterst serieuze, goed opgeleide Afghanen, toch zijn er ondanks alle omzichtigheid tot nu toe 36 slachtoffers gevallen, vertelt Naik Mohammad. Zeven mensen vonden de dood; anderen raakten blind of verloren handen en delen van benen. Een medewerker van Omar loopt op een kleine bult in het landschap af. In zijn rechterhand houdt hij een helm, in zijn linkerhand een plastic lakentje. Bij de bult gekomen zet hij de helm op, spreidt het laken uit en zoekt de omgeving af met een instrument dat nog het meest weg heeft van een plamuurmes. De metaaldetector is afgegaan; er kan een mijn liggen.
Het gaat tergend langzaam, de enige manier waarop de klus kan worden geklaard. Per dag kunnen de ruim 300 mannen van Omar ieder niet meer dan zo'n dertig vierkante meter verkennen. Als vanaf heden in Afghanistan geen enkele mijn meer gelegd zou worden, zijn de duizenden mijnenopruimers in het land nog minimaal drie jaar actief.
Er worden echter nog steeds nieuwe mijnen gelegd. Mohammad vertelt over de ruim 30 000 explosieven die zijn teams onschadelijk hebben gemaakt. “Maar volgens de lokale bevolking zijn er de afgelopen maanden bij gevechten ten zuiden van Herat weer enkele tienduizenden bijgekomen.” Naik Mohammad dirigeert het bezoek naar de top van een heuvel. Op relatief veilige afstand zien we hoe stofwolk na stofwolk de explosie van enkele mijnen markeert. De knallen resoneren tegen de flanken. De medewerkers van Omar wijzen op de sandalen, het petje en het kleine kapmes: de attributen van een Afghaanse burger die de tocht door de heuvels niet heeft overleefd. “Hij kwam hier waarschijnlijk om gras te plukken voor zijn vee”, zegt Mohammad.
Voorlichting
De bijdrage van Novib aan het ontmijningswerk is ook bedoeld om de bevolking voor te lichten over de gevaren van mijnen en andere niet-ontplofte explosieven. Omar is met voorlichting actief, in Herat maar ook in de hoofdstad Kaboel.
In Kaboel is een gebied van in totaal elf vierkante kilometer aangewezen als 'hoogste prioriteit'. Het gaat voornamelijk om woongebieden in het oosten, zuiden en westen van de grotendeels verwoeste stad. Volgens een rapport van de Verenigde Naties kent de hoofdstad bijna 250 mijnenvelden. Vele van de 1,2 miljoen burgers uit de regio trekken regelmatig door het gebied, met alle risico's van dien.
Tot voor kort vielen er dagelijks ongeveer vijftig slachtoffers. Door ontmijningswerk en voorlichtingscampagnes is dat getal teruggedrongen tot circa vijf. Bij de voorlichting speelt bijna iedereen een rol, zelfs de islamitische geestelijken bij het vrijdaggebed in de moskee. Alleen via de televisie is niets mogelijk: Kaboel zit al tijden zonder stroom.
Bij vrouwen en kinderen is de kennis over de gevaren van landmijnen het geringst. De campagnes richten zich dan ook voor een groot deel op hen. Zoals in een middelbare school voor een klas gesluierde meisjes van ongeveer dertien jaar.
De lerares laat voorbeelden van diverse explosieven rondgaan door het lokaal. Enigszins schuchter betasten de meisjes de vaak fallische moordwapens. Na elke ronde verdwijnen de mijnen in een legergroene tas. Onder een kleedje op de tafel liggen nog diverse exemplaren.
Langzaam komen de eigen verhalen van de meisjes op gang. Een broer die door een raket is gedood, een oom die een bombardement niet heeft overleefd. En ervaringen met mijnen? Ja, ook met mijnen. Een vader die een hand en een been is kwijtgeraakt, weer een oom die is gesneuveld - zo gaat het verder.
In een rapport haalt de VN met trots een citaat aan van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken, dat de ontmijningsoperaties in Afghanistan heeft omschreven als 'het grootste succesverhaal' in de geschiedenis, 'efficiënt en effectief'. Dat laatste geldt ironisch genoeg ook voor de Afghaanse strijders die zelf nog steeds mijnen plaatsen. De Novib meent daarom dat het hoog tijd is om tot een internationaal verbod op de produktie van mijnen te komen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.