*

 
dossier

Archief

Jongens krijgen meer beurten

Henriëtte Lakmaker − 04/03/99, 00:00

Je staat met pech langs de snelweg bij kilometerbord 3,7. De praatpaal staat bij het bord 3,4. Hoeveel meter moet je lopen om de wegenwacht te kunnen bellen? En hoe hoog is het percentage meisjes dat deze opgave fout beantwoordt? Hoger dan het aantal jongens, berekende het Freudenthal Instituut te Utrecht. Samen met de Leidse universiteit analyseerde het de rekenscores in Citotoetsen uit de jaren 1993-95. Meisjes rekenen nog altijd minder goed dan jongens, is de conclusie: jongens scoren gemiddeld 72 procent, meisjes 65.

Van de vijfduizend basisscholen die meededen bezochten de onderzoeksters (dr. M. van den Heuvel-Panhuizen en dr. H. Vermeer) er veertien. Ze namen daar de wijze van toetsen en lesgeven onder de loep. Het klimaat in de klas speelt een grote rol, ondervonden de wetenschapsters. Dat in elke klas jongens meer beurten kregen dan meisjes was een eerste teken dat er iets scheef ging. Als meisjes geen vragen durfden stellen of dreigden te worden uitgelachen was dat van directe invloed op de rekenresultaten.

Meisjes zijn gebaat bij duidelijke uitleg, zegt Van den Heuvel. Hoe nauwkeuriger de opgaven, des te beter de resultaten.

Meisjes durven minder, denkt Van den Heuvel. Opgaven waarbij ze moeten schatten vinden ze eng. In klassen waar meisjes even goed of beter scoorden dan jongens viel op dat de leerlingen meer ruimte kregen om vragen te stellen en tijd kregen voor een denkpauze.

Van den Heuvel had meer verwacht van het aanschouwelijke rekenonderwijs, dat de laatste jaren in zwang is op basisscholen. Het ministerie van onderwijs stelt nu geld ter beschikking om leerkrachten bij te scholen.

mailIcon print |