AMSTERDAM - Hans Bosch (52) heeft zijn niet-reanimeer penning altijd om zijn nek, behalve 's nachts. “Ik was snel aan zo'n ketting om mijn nek gewend. Alleen toen ik zelf een keer iemand moest reanimeren, was het wel lastig. Terwijl ik op mijn knieen zat en op de borst van de patiënt drukte, slingerde die penning steeds voor mijn eigen borst heen en weer.”
Als verpleegkundige heeft Bosch jarenlang gewerkt in ziekenhuizen, verpleeghuizen, en de particuliere thuiszorg. Vooral in de thuiszorg heeft hij vaak gezorgd voor terminale patiënten, met wie hij “bijzonder veel” over leven en dood gepraat heeft. “Als je dan niet over een eigen wilsverklaring gaat nadenken, doe je het nooit.”
Helaas zat hij de afgelopen twee jaar door een verbrijzelde enkel (“een stom ongelukje”) veel thuis. In die twee jaar is hij twaalf keer geopereerd en tot zijn verbazing ervoer hij in het ziekenhuis wat hij al zo vaak van anderen had gehoord: éénmaal binnen, ben je geen mens meer, maar patiënt. “Iedere keer moest ik voor mezelf vechten, en dat terwijl ik zolang in het ziekenhuis heb gewerkt.” Iedere opname opnieuw voelde ik me overgeleverd aan mensen in witte jassen.”
In zijn contacten met terminale patiënten viel het hem vaak op dat er “zo weinig was geregeld”. Niet alleen over actieve levensbeëindiging of stoppen-met-behandelen had de patiënt met zijn naasten nog nooit gesproken, maar ook niet over de erfenis, of over begraven danwel cremeren.
“Meestal ontstond dan trammelant, of op zijn minst een gespannen sfeer. Ook heb ik meegemaakt dat familieleden er op aandrongen dat 'er nu maar een spuitje' moest worden gegeven. Dan moest ik hun vertellen dat dat niet zomaar kan, omdat het de patiënt zelf is die beslist.”
Door deze ervaringen realiseerde Bosch zich dat hij zelf net zomin over zijn opvattingen met zijn naasten had gesproken. “Stel dat mij iets overkomt, dan moet ik er niet aan denken dat die dit zegt, en die dat. Of dat een of andere arts dan maar beslist over, om maar iets te noemen, het leegpompen van mijn maag. Nu heb ik tenminste vastgelegd dat ik dat niet wil, net zoals ik ook niet wil dat ze me ooit een elektroshock zullen geven.”
Bij het informatiepakket van de euthanasievereniging, zat ook een formulier om de zogeheten niet-reanimeer penning aan te vragen. In zijn opleiding leerde Bosch dat, afhankelijk van de situatie, zo'n 80 tot 90 procent van de pogingen tot reanimatie mislukt. “In een Amerikaans blad stond dat dit voor bepaalde patiënten zelfs 94 procent zou zijn. Bijna altijd is er blijvend letsel, zoals een ernstige hersenbeschadiging of coma. Door deze penning, sluit ik - hoop ik - dat risico uit.”
Volgens Bosch beseffen maar weinig mensen dat reanimeren vaak niet slaagt. Door zijn beroep weet hij wat het is te trachten iemand die bewusteloos is, te redden. “Ik ben vooral aan het denken gezet toen een jochie van een jaar of vijf onder mijn handen stierf. Dát beeld vergeet ik nooit: de moeder was hoogzwanger, en zat daar met dat levenloze lichaampje op haar buik.”
Dit speelde zich af in 1971, toen de moderne apparatuur nog ontbrak. De verpleegkundigen moesten om het kwartier de pols voelen, temperaturen, bloeddruk meten en met een lampje in de pupillen kijken. “Tussen twee pogingen door, gleed het kind toch weg. Een chirurg die er toen net aankwam, gebood ons te stoppen. Ik sprak hem daar woedend op aan, omdat ik vond dat we dat kindje niet zomaar konden laten gaan.”
Het volgende moment pakte de chirurg de verpleger woedend bij de arm. Hij bestookte Bosch met vragen. Dacht hij nou echt dat dit kind nog een kans had? Was hij niet gewoon zijn techniekjes aan het oefenen, nota bene bij een kind dat geen enkel toekomstperspectief meer had? “Die chirurg had gelijk”, geeft Hans Bosch toe. “Later heb ik dit voorbeeld vaak gebruikt in discussies met vrienden en collega's. Soms kan je beter niks doen, hoe moeilijk dat ook is.”
Voorafgaand aan elke ziekenhuisopname vertelt Bosch aan zijn artsen dat hij een euthanasie- én een niet-reanimeerverklaring heeft. Tot zijn verbazing wees een anesthesist hem er bij zijn eerste operatie op dat hij zijn reanimatieverklaring moest 'intrekken' zolang de operatie duurt. “Hij legde me uit dat het juist zijn taak is in te grijpen als er iets misgaat. In de operatiekamer staat daar alle apparatuur voor. Dáár is de kans op een geslaagde reanimatie het grootst, in de vleugel van het ziekenhuis is dat al heel anders.”
Ook bij zijn volgende operaties hoorde Bosch steeds van zijn anesthesisten dat zij hun werk niet kunnen doen zolang hij aan zijn wens om niet gereanimeerd te worden, vasthoudt. “Inmiddels vind ik dit niet meer beangstigend, omdat ik weet dat de risico's in de operatiekamer minimaal zijn. Ik had me dit echter niet gerealiseerd toen ik de penning aanvroeg.”
Mocht hij ooit in een situatie komen dat hij zelf niet meer kan beslissen, dan heeft hij zijn dochter en een goede vriendin gevolmachtigd namens hem te spreken. Zijn dochter was zeventien toen hij voor het eerst met haar over zulke moeilijke onderwerpen sprak. “De aanleiding was dat een goede vriend van ons plotseling hoorde dat hij nog maar enkele weken had te leven. Ik heb toen alles voor hem geregeld, mijn dochter vond dat heel bedreigend. 'Wat ben je nou aan het doen?' vroeg ze toen ik een euthanasieverklaring opstelde, 'ga jij nu ook dood?'.”
Inmiddels is ze 22 en heeft Hans Bosch 'alles' met haar besproken. Sterker nog, op een dag vertelde ze zelf dat ze “een mooi lied” voor zijn begrafenis had gevonden. “Ik ben een verwoed zeiler en dit lied eindigt met 'Papa, we will go sailing'. Ze had geen beter stuk voor me kunnen uitkiezen. Ik draai het nu wel eens als ik in bad lig.”
Ook met zijn moeder, die “heel gelovig is”, sprak hij laatst over zijn wensen. Op zijn vraag of zij zelf 'iets' geregeld had, gaf zijn moeder niet zo'n duidelijk antwoord, totdat zij hem onlangs plotseling vertelde dat ze “daar en daar een levenstestament had gedeponeerd”. Zo is het goed, vindt Bosch, die benadrukt dat hij niemand iets wil opdringen. “Ik zou het alleen jammer vinden als mensen uit onwetendheid niets regelen, of omdat ze er niet over durven praten. Ik geef echter toe dat opschrijven nog iets heel anders is dan praten. Ik vond het heel moeilijk om zwart op wit te zetten waar mijn grenzen liggen. Dat definitieve gevoel, daar kreeg ik echt een brok van in mijn keel.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.