*

 
dossier

Archief

De plundering van het Hof van Eden

MARCEL TEN HOOVEN − 23/01/98, 00:00

Aanhangers van de theorie over de vervagende politieke ideologieën zullen aan zichzelf twijfelen door de zware ideologische lading die het regelmatig oplaaiende debat tussen Frits Bolkestein en Thijs Wöltgens kenmerkt. Aloude beginselen als vrijheid, gelijkheid en menselijke waardigheid vormen het achterliggende motief in de periodieke woordenstrijd tussen de liberaal en de sociaal-democraat. Ook nu weer, in 'Poldergeest'.

Tegelijkertijd zullen Bolkestein en Wöltgens de anti-ideologen met dit boek bevestigen in het idee dat ideologie de politici kan vastklitten in de eigen overtuiging. In hun bijdragen zijn althans veel denkbeelden traceerbaar die beiden al koesterden in de periode dat zij, ten tijde van het derde kabinet-Lubbers (1989-'94), als fractieleiders van VVD en PvdA tegenover elkaar stonden.

Roemrucht is hun debat in de Algemene beschouwingen van 1993. Bolkestein trok daarin ten strijde tegen de overlegeconomie. Onze traditie van schikken en plooien, wikken en wegen staat volgens de VVD'er de gewenste dynamiek in de economie in de weg. Volgens hem zijn de aanhangers van dit harmoniemodel, onder wie Wöltgens, even star als de 18de-eeuwse saletjonkers die hun onmacht in de Franse revolutie zagen afgestraft. Kortweg gezegd bepleitte Bolkestein meer vrijheid in de economie, ook al zou dat streven tegelijkertijd de maatschappelijke ongelijkheid vergroten.

Wöltgens reageerde in even scherpe bewoordingen. Hij typeerde Bolkesteins ideaal als een kille ellebogenmaatschappij waarin de afvallers, in naam van de economische dynamiek, worden afgekocht met mensonwaardige wegwerpbanen. Het menselijk welbevinden is volgens hem meer gebaat bij gelijkheid dan bij economische vrijheid.

Hoewel recente verschuivingen in de krachtsverhoudingen van de mondiale economie de aanleiding voor hun debat vormden, was de tegenstelling die zij opriepen bijna zo oud als hun politieke bewegingen zelf. Net als in de sociale quaestie honderd jaar geleden was de inzet van het debat opnieuw de kwaliteit van de arbeid in een nieuwe economische orde.

In 'Poldergeest' werken Bolkestein en Wöltgens (de derde auteur is de CDA'er Hirsch Ballin) hun visie verder uit. Zij reageren op een aantal vragen die de publicist Paul Scheffer hun heeft voorgelegd over de houdbaarheid van onze democratie. Herinnerend aan de uitspraak van Richard von Weizsücker, oud-president van de Bondsrepubliek, dat politieke partijen alleen hun macht kunnen behouden door burgers behoud van welvaart te beloven, vroeg Scheffer of materiële vooruitgang een noodzakelijke voorwaarde voor onze democratie is.

De tegenstelling tussen Bolkestein en Wöltgens is samengebald in hun antwoord op deze vraag. Bolkestein meent dat een democratie die niet tegemoetkomt aan de materiële verlangens van haar bevolking, al gauw in moeilijkheden geraakt. Dat vereist een omslag van de 'paternalistische verzorgingsstaat' naar een samenleving met 'Amerikaanse dynamiek', een prestatiemaatschappij die burgers alert houdt. Bolkestein bepleit ten behoeve van dat doel een verlaging van het minimumloon en de uitkeringen, een versoepeling van de ontslagregels en andere maatregelen om de mobiliteit op de arbeidsmarkt te vergroten.

De paradox in Bolkesteins aanpak is dat ofschoon al deze maatregelen mensen op zichzelf terugwerpen, de VVD-leider verwacht dat zij de sociale samenhang op den duur zullen vergroten. Hij meent dat regelingen die ooit zijn ingevoerd ter bescherming van de kansarmen, nu averechts dreigen te werken: “Waar het bestaan van een uitkering norm dreigt te worden, worden komende generaties in hun toekomst bedreigd. Deze nieuwe verstarring van de sociale verhoudingen zet de samenhang van de Nederlandse maatschappij onder druk. Het loopt slechts met ons af, als er een onderklasse ontstaat die het gevoel heeft dat zij er niet echt bijhoort”, schrijft hij.

Wöltgens ziet in de permanente druk de materiële welvaart te verhogen juist een gevaar voor de democratie, vanwege het ontwrichtende effect dat de vereiste maatregelen kunnen sorteren op de stabiliteit van de samenleving. “De commercialisering en de voortdurende opwaardering van het eigenbelang teren op het morele kapitaal dat elke samenleving nodig heeft om als samenleving te blijven bestaan. Dat betekent ook de geleidelijke ontbinding van de democratie”, schrijft hij.

Volgens hem heeft de mensheid niet eerder een tijdperk beleefd waarin het economisch denken zo overheerste. Persoonlijke hebzucht is in deze omstandigheid gelegitimeerd als een economische deugd, de onmisbare motor van de vooruitgang. Elk onderwerp leent zich zo langzamerhand voor commercialisering, zelfs cultuur en godsdienst. De vraag naar flexibele arbeid en de drang naar een 24-uurseconomie laten zien dat de mensen steeds meer in dienst van de economie staan, in plaats van andersom. Wat eertijds solidariteit heette, schrijft hij, is achteraf de oorzaak van de vetheid, traagheid en voldaanheid die Bolkestein in onze volkshuishouding laakt.

Wöltgens meent dat de sociaal-democratie vanouds tot doel heeft de wetten van de economie te onderwerpen aan morele maatstaven. Hij ziet daarom voor zijn politieke beweging de opdracht weggelegd tegenwicht te bieden aan de economisering van het bestaan, te meer daar het ecologische vraagstuk ons geen andere keuze laat. Tegelijkertijd erkent hij dat de sociaal-democraten net als de liberalen vooruitgang meten in geld en goederen. Dat verklaart volgens hem de eenzijdigheid waarmee de politiek in de afweging met ecologie telkens weer voor de economie kiest.

“Jarenlang was economische groei de minst pijnlijke weg naar het paradijs. Nu beseffen we dat we vooral de Hof van Eden geplunderd hebben waarnaar we zo terugverlangen. Bestaat de overwinning van de mens op de economie thans niet uit een ontwenningskuur van de groeiverslaving? Moeten we niet af van de jachtige prestatiecultuur die verslinden boven genieten stelt?”

De 'genietende samenleving' is zijn alternatief. In zo'n samenleving is stilstand geen achteruitgang meer en stelt de politiek zich teweer tegen de kwalen van de dynamische economie, zoals stress, anonimiteit, eenzaamheid, onveiligheid en gebrek aan vrije tijd en aandacht voor anderen.

'Poldergeest' is een informatief boek voor wie is geïnteresseerd in het ideologische verschil tussen twee politici. Maar meer ook niet. Een ander groot verschil tussen Bolkestein en Wöltgens is dat de VVD'er het gedachtegoed van zijn partij vertolkt en de PvdA'er niet meer dan de ideeën van een eenling. Of het nu de PvdA is die van hem wegdrijft of andersom, vaststaat dat Wöltgens' opvattingen niet representatief zijn voor zijn partij. PvdA-leider Kok staat met zijn antwoord op de vraag of materiële vooruitgang een noodzakelijke voorwaarde is voor onze democratie, hoogstwaarschijnlijk dichter bij Bolkestein dan bij zijn geestverwant in de senaat.

Overigens laat de derde auteur, Hirsch Ballin, een antwoord op deze vraag geheel achterwege.

mailIcon print |