Anne Marinus staat op een basisschool in Zwartsluis voor groep vijf - dus voor de acht- en negenjarigen. “Bijna dertig jaar geleden ben ik begonnen in Andijk, bij Medemblik. Toen was ik 22. En ik weet nog goed, ik fiets door het dorp en een oude man van tachtig komt me achterop gefietst. Die zegt: 'Dag meester.' Tegen een broekie van 22!”
“Had je me toen, in Andijk, gevraagd hoe het onderwijs er over dertig jaar uit zou zien, dan denk ik dat ik had gezegd: dan staat er een robot voor de klas. Dat soort oplossingen, daar dacht je toen in. Voor mijn pake (grootvader) waren de maanlandingen in 1969 of 1970 ook zo'n beetje het toppunt. Ik maak weleens een grapje tegen de klas. 'Wat zou het mooi zijn', zeg ik dan, 'als ik om half negen even werk kwam uitdelen en als ik dan om drie uur even kon komen kijken hoe ver jullie zijn'. Maar zo wordt het natuurlijk nooit.”
“Die status die je toen had, die heb je nu niet meer en dat zal nog verder veranderen. En dat is goed. Een kind moet heel dichtbij je staan, dan kun je er het meeste mee doen. 't Is bijna de relatie als met een ouder. Je maakt ze een groot deel van de dag, vijf, zes uur mee. Als je autoritair voor de klas staat, sluit je ze voor je af.”
“Ze noemen me 'meester' of 'Marinus', maar dat is natuurlijk omdat ik een achternaam heb die net een voornaam is. Maar ze mogen me rustig jij noemen. Als ze dat zeggen, zien ze je als een gelijkwaardige. Dat vind ik heel goed. Dan vertellen ze alles, dan zijn ze eerlijk. Kijk, pesten hoort bij het kind - dat zal er altijd zijn. Maar tien jaar geleden was het op het schoolplein veel erger. Toen zaten de vuisten heel wat losser hoor.”
“Maar nu denk ik dat er niet meer zo veel zal veranderen. De grootste veranderingen hebben we achter ons. In 1970 had je eigenlijk geen enkele vergadering. Geen personeelsvergadering, geen medezeggenschapsraad, geen ouderraad, geen sportcommissie, geen identiteitscommissie. Je regelde alles even tussen de bedrijven door. Nu zit je met twintig man te vergaderen, en de een is een middag per week ambulant begeleider en een ander doet de hele week remedial teaching.”
“Jawel, we zullen steeds meer leerlingen krijgen die niet kerkelijk gebonden zijn. Die vertellen op maandag 'We zijn gisteren naar Slagharen geweest.' En die wil je dan ook nog een christelijk tintje meegeven. We zullen ook steeds meer kinderen krijgen die thuis niet goed opgevangen worden. Die er 's middags niet in kunnen omdat beide ouders werken.”
“Maar wat absoluut blijft, dat is de band tussen de klas en de meester. Het kind blijft. Misschien verandert de overgang nog wel eens, dat je niet eens per jaar naar een volgende klas overgaat, maar dat je drie keer in het jaar overgaat, van 5A naar 5B naar 5C en dan pas naar groep 6. Dat wordt wel een trend, denk ik. En misschien dat er over vijftien jaar een minister van onderwijs is die zegt: 'Gunst, 't is misschien wel een goed idee om een kleuterschool te beginnen.' Dat die weer terugkomt. Maar hoewel scholen aan de ene kant vaak het gevoel hebben dat ze worden bestóókt met vernieuwingen, pikken ze er aan de andere kant altijd alleen maar uit wat ze zelf belangrijk vinden.”
“Als het in grote lijnen blijft zoals het nu is en ik denk dat, dan kom je er als je doordenkt achter dat we nu eigenlijk in een prachtige tijd leven. Iedereen heeft het redelijk goed. Ook de sociaal zwakkeren. Juist de sociaal zwakkeren, zelfs. Die geven veel geld uit hoor. Die kinderen hebben veel spullen. Wat heb je een mooie skeelers, zeg ik dan, daar heb je zeker voor gespaard? Nee, die heb ik gewoon gekregen, zeggen ze dan.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.